ECLI:NL:HR:2007:BA3523

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C06/062HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling nalatenschap over Zwitserse bankrekeningen tussen weduwe en zoon

De zaak betreft een geschil tussen de weduwe en de zoon van de erflater over de verdeling van de saldi op door de erflater gehouden Zwitserse bankrekeningen. De zoon vorderde bij de rechtbank dat deze saldi tot de nalatenschap werden gerekend. De rechtbank oordeelde dat de helft van de saldi en de daarop verschenen rente tot de nalatenschap behoorde.

De zoon stelde hoger beroep in tegen tussenvonnissen en het eindvonnis. Het hof vernietigde deze vonnissen en gaf een nadere verklaring voor recht over de te verdelen gelden uit de nalatenschap. De weduwe stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en verwierp het beroep. De kosten van het cassatiegeding werden aan de weduwe opgelegd. Hiermee werd het arrest van het hof bekrachtigd en de verdeling van de Zwitserse bankrekeningen definitief vastgesteld.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de weduwe wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.

Uitspraak

29 juni 2007
Eerste Kamer
Nr. C06/062HR
MK/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. U.W.G. Thöle,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te Canada,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. R.F. Thunnissen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerder].
1. Het geding in feitelijke instanties
[Verweerder] heeft bij exploot van 8 oktober 1998 [eiseres] gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd, kort gezegd, voorzover in cassatie van belang, te verklaren voor recht dat tot de te verdelen nalatenschap behoren de saldi per overlijdensdatum van wijlen [betrokkene 1] (hierna: de erflater) op bankrekeningen door hem al dan niet onder pseudoniem bij de Bank Hofmann AG in Zwitserland (hierna: de Zwitserse bank) gehouden.
[Eiseres] heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft, na een drietal tussenvonnissen van 26 januari 1999, 1 september 1999 en 26 april 2000, bij eindvonnis van 14 maart 2001 voor recht verklaard dat de helft van de saldi per overlijdensdatum van de erflater en/of [eiseres] op de [A] rekening en de daarover tot op heden verschenen rente behoort tot de te verdelen gelden en goederen uit de nalatenschap.
Tegen de tussenvonnissen van 1 september 1999 en 26 april 2000, alsmede tegen het eindvonnis van de rechtbank heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Na een tweetal tussenarresten van 10 oktober 2002 en 21 oktober 2004 heeft het hof bij eindarrest van 1 september 2005 de vonnissen van 1 september 1999, 26 april 2000 en 14 maart 2001 vernietigd en een verklaring voor recht gegeven omtrent de te verdelen gelden en goederen uit de nalatenschap, zoals nader omschreven in het dictum.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 367,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 29 juni 2007.