ECLI:NL:HR:2007:BA3315
Hoge Raad
- Cassatie
- P.J. van Amersfoort
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- E.N. Punt
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring beroep naheffingsaanslag omzetbelasting wegens onjuiste termijnstart
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de periode 1 januari 1999 tot en met 31 maart 2000. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag. Belanghebbende ging in beroep bij het hof, dat het beroep niet-ontvankelijk verklaarde omdat het beroepschrift te vroeg was ingediend, namelijk voor het begin van de beroepstermijn.
Het hof stelde dat de beroepstermijn pas begon nadat de Inspecteur de uitspraak op bezwaar aan de gemachtigde had toegezonden. De Hoge Raad oordeelde echter dat indien de gemachtigde op andere wijze de beschikking kreeg over de uitspraak, de termijn vanaf dat moment begint. Uit stukken bleek dat de gemachtigde op 3 augustus 2004 een schriftuur met bezwaar tegen de uitspraak had ingediend, met een ontvangstbevestiging van 5 juli 2004.
Het hof had deze schriftuur als tijdig beroepschrift moeten aanmerken, tenzij was vastgesteld dat de gemachtigde de uitspraak meer dan zes weken eerder had ontvangen. Omdat het hof dit niet had vastgesteld en onvoldoende motiveerde, was de niet-ontvankelijkverklaring onjuist.
De Hoge Raad vernietigde daarom het vonnis van het hof en verwees de zaak naar het gerechtshof te 's-Gravenhage voor volledige behandeling. Tevens werd bepaald dat de Staat het griffierecht aan belanghebbende vergoedt en dat de kosten van het cassatieproces worden gereserveerd tot de einduitspraak.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag wordt niet-ontvankelijk verklaard door het hof, maar deze uitspraak wordt door de Hoge Raad vernietigd en de zaak wordt verwezen voor volledige behandeling.