Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2007:BA3315

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
43254
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • P.J. van Amersfoort
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • A.R. Leemreis
  • E.N. Punt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:10 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring beroep naheffingsaanslag omzetbelasting wegens onjuiste termijnstart

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de periode 1 januari 1999 tot en met 31 maart 2000. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag. Belanghebbende ging in beroep bij het hof, dat het beroep niet-ontvankelijk verklaarde omdat het beroepschrift te vroeg was ingediend, namelijk voor het begin van de beroepstermijn.

Het hof stelde dat de beroepstermijn pas begon nadat de Inspecteur de uitspraak op bezwaar aan de gemachtigde had toegezonden. De Hoge Raad oordeelde echter dat indien de gemachtigde op andere wijze de beschikking kreeg over de uitspraak, de termijn vanaf dat moment begint. Uit stukken bleek dat de gemachtigde op 3 augustus 2004 een schriftuur met bezwaar tegen de uitspraak had ingediend, met een ontvangstbevestiging van 5 juli 2004.

Het hof had deze schriftuur als tijdig beroepschrift moeten aanmerken, tenzij was vastgesteld dat de gemachtigde de uitspraak meer dan zes weken eerder had ontvangen. Omdat het hof dit niet had vastgesteld en onvoldoende motiveerde, was de niet-ontvankelijkverklaring onjuist.

De Hoge Raad vernietigde daarom het vonnis van het hof en verwees de zaak naar het gerechtshof te 's-Gravenhage voor volledige behandeling. Tevens werd bepaald dat de Staat het griffierecht aan belanghebbende vergoedt en dat de kosten van het cassatieproces worden gereserveerd tot de einduitspraak.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag wordt niet-ontvankelijk verklaard door het hof, maar deze uitspraak wordt door de Hoge Raad vernietigd en de zaak wordt verwezen voor volledige behandeling.

Uitspraak

Nr. 43.254
20 april 2007
ND
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 29 maart 2006, nr. 03/02843, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 maart 2000 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van f 3846. Deze aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van 's Hofs uitspraak naar aanleiding van de klacht en ambtshalve
Het Hof heeft vastgesteld dat de Inspecteur niet (een kopie van) zijn uitspraak heeft toegezonden aan de gemachtigde van belanghebbende. Naar het oordeel van het Hof kan de beroepstermijn niet eerder aanvangen dan nadat de Inspecteur alsnog tot die toezending is overgegaan. Dat oordeel is evenwel onjuist. Indien de gemachtigde op andere wijze de beschikking heeft gekregen over (een afschrift van) de uitspraak, is de beroepstermijn aangevangen op de dag dat zulks is geschied (vgl. HR 15 april 2005, nr. 40279, BNB 2005/251).
Onder de stukken van het geding bevindt zich een door de gemachtigde op 3 augustus 2004 bij het Hof ingediende schriftuur, waarin namens belanghebbende bezwaar wordt gemaakt tegen de uitspraak van de Inspecteur op het bezwaarschrift. Die uitspraak werd als bijlage meegezonden, voorzien van de aantekening "ontvangen 5/7.04". Het Hof had deze schriftuur moeten aanmerken als een tijdig ingediend beroepschrift, tenzij het Hof zou hebben vastgesteld dat de gemachtigde, anders dan door hem gesteld, meer dan zes weken vóór de indiening van vorenbedoelde schriftuur de uitspraak heeft ontvangen. Nu 's Hofs uitspraak die vaststelling niet bevat, is die uitspraak, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep, onvoldoende gemotiveerd. De klacht is in zoverre gegrond.
Gelet op het hiervoor overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een behandeling van de zaak in volle omvang.
4. Proceskosten
Nu de Inspecteur de onjuist bevonden beslissing van het Hof niet heeft uitgelokt of verdedigd en de Minister van Financiën zich in cassatie heeft gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad, stelt de Hoge Raad een eventuele veroordeling van de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie afhankelijk van de beslissing in de einduitspraak. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 43255 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 211, en
reserveert de beslissing omtrent de kosten van het geding in cassatie tot de einduitspraak, en stelt deze kosten aan de zijde van belanghebbende vast op de helft van € 1288, derhalve € 644, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P.J. van Amersfoort als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck, A.R. Leemreis en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2007.