ECLI:NL:HR:2007:BA2167

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
02190/06
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in zaak opzettelijk handelen in strijd met Opiumwet

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin de verdachte werd veroordeeld voor opzettelijk handelen in strijd met artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet. De rechtbank had het Openbaar Ministerie aanvankelijk niet-ontvankelijk verklaard, maar het hof vernietigde dat vonnis en wees de zaak terug. Na hernieuwde behandeling veroordeelde het hof de verdachte tot zes maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk.

In cassatie klaagde de verdachte over de verwerping door het hof van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De Hoge Raad verwijst naar de conclusie van de Advocaat-Generaal en oordeelt dat het middel niet kan leiden tot cassatie, mede omdat de kwestie van het horen van getuigen die in het middel werd aangevoerd, niet meer aan de orde was bij de rechtbank na terugwijzing.

De overige middelen van cassatie worden eveneens verworpen zonder nadere motivering, omdat deze niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad concludeert dat geen reden bestaat om het arrest van het hof ambtshalve te vernietigen en verwerpt het beroep van de verdachte.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling tot zes maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk.

Uitspraak

5 juni 2007
Strafkamer
nr. 02190/06
IC/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 30 november 2005, nummer 22/005956-04, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Dordrecht van 8 oktober 2004, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte ter zake van 1. "opzettelijk handelen in strijd met het (de Hoge Raad leest: een) in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G.J. Hubers, advocaat te Dordrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging.
3.2. Op de gronden die zijn vermeld in de aan dit arrest gehechte conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5 tot en met 15 kan het middel niet tot cassatie leiden.
4. Beoordeling van het tweede en het derde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 5 juni 2007.