ECLI:NL:HR:2007:BA0865
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- W.A.M. van Schendel
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid OM bij vervolging ongewenste vreemdeling ondanks overmacht vertrekbelemmering
In deze strafzaak stond de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie (OM) centraal bij de vervolging van een verdachte wegens het verblijven in Nederland als ongewenste vreemdeling, zoals bedoeld in artikel 197 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De verdachte werd aangehouden tijdens een opsporingsonderzoek naar een andere strafbare feit, namelijk gekwalificeerde diefstal. Het hof verwierp het beroep van de verdachte op niet-ontvankelijkheid van het OM, omdat de verdachte zich had blootgesteld aan het risico van vervolging door betrokkenheid bij andere strafbare feiten.
De Hoge Raad stelde vast dat het oordeel van het hof onjuist was voor zover het de ontvankelijkheid van het OM afhankelijk stelde van het feit of het strafbare feit van het ongewenst verblijf aan het licht was gekomen bij opsporing van andere strafbare feiten. De Hoge Raad benadrukte dat het niet relevant is dat de verdachte door overmacht niet in staat is Nederland te verlaten; dit kan niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM.
Hoewel de motivering van het hof ondeugdelijk was, leidde dit niet tot cassatie omdat het verweer van de verdachte terecht werd verworpen. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het OM ontvankelijk is in vervolging op grond van artikel 197 Sr Pro, ook indien de verdachte door overmacht niet kan vertrekken.
Uitkomst: Het OM is ontvankelijk in vervolging wegens verblijf als ongewenste vreemdeling, ook als verdachte door overmacht Nederland niet kan verlaten.