3.2.2 [Verweerders], met uitzondering van [betrokkene 3], zijn met hun derde grief opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat bij de door [eiseres] in te brengen waarde van de woning moet worden uitgegaan van de waarde op de datum van het overlijden van de erflater. Het hof heeft deze grief gehonoreerd en de vorderingen van [eiseres] alsnog afgewezen. Hetgeen het hof daartoe overwoog, kan, voorzover in cassatie van belang, als volgt worden samengevat.
Volgens [eiseres] heeft zij zich vanaf het overlijden van de erflater op het standpunt gesteld dat zij koos voor afgifte van het legaat van het huis tegen inbreng van de waarde daarvan. Partijen konden het echter niet eens worden over de voorwaarden waaronder een en ander diende te geschieden. Aangezien [eiseres] zelf stelt dat zij destijds bereid was de inbrengwaarde aan [verweerders] af te staan, beperkte de door haar bedoelde onenigheid tussen partijen zich tot (i) de waarde van het huis op het tijdstip van overlijden van de erflater en (ii) de vraag of, en zo ja in hoeverre, de hypotheek van ƒ 40.000,-- in mindering diende te komen op het in te brengen bedrag. (rov. 3.2)
Met betrekking tot de waarde van het huis op de datum van het overlijden van de erflater heeft [eiseres] zich tot in deze procedure op het standpunt gesteld dat die ƒ 195.000 bedroeg; zij baseerde zich daarbij op een in verband met de successieaangifte uitgevoerde taxatie. (rov. 3.3)
De rechtbank heeft de waarde per datum overlijden vastgesteld op ƒ 220.000,--, mede op basis van het taxatierapport van [A] Makelaardij. Dat de rechtbank dat mede heeft gedaan op de grond dat [eiseres] zich bereid had verklaard tot betaling van dat bedrag, neemt niet weg dat het hof van oordeel is dat als vaststaand kan worden aangenomen dat de steeds door [eiseres] voorgestane waarde van ƒ 195.000,-- niet als reëel viel en valt aan te merken. (rov. 3.4)
Met betrekking tot de hypotheek heeft [eiseres] zich tot in deze procedure op het standpunt gesteld dat die - zou die op het huis blijven rusten - geheel in mindering diende te strekken op de door haar in te brengen waarde. Eerst ter gelegenheid van de voortgezette pleidooien in eerste aanleg heeft [eiseres] aanvaard dat de helft van die schuld voor haar rekening kwam. [Verweerders] hebben zich steeds op het standpunt gesteld dat de schuld voor 50% aan [eiseres] toebedeeld diende te worden, waarbij zij zich baseerden op een schuldbekentenis en op de hypotheekakte. [Eiseres] heeft geen argumenten aangevoerd op grond waarvan ondanks die bescheiden de schuld niet voor de helft aan haar zou moeten worden toebedeeld. (rov. 3.5)
Het hof heeft vervolgens overwogen:
"3.6 Tegen deze achtergrond en gelet voorts op de tijd die inmiddels is verlopen sinds het overlijden van de erflater alsmede op het feit dat [eiseres] steeds, in feite als vruchtgebruiker, in het huis is blijven wonen, acht het hof het in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid dat de waarde van het huis die [eiseres] dient in te brengen om de eigendom daarvan te verkrijgen vastgesteld zou worden op de waarde per datum van overlijden van de erflater. Dat zou mogelijk anders liggen indien aanleiding zou bestaan te oordelen dat het in overwegende mate aan [verweerders] is toe te rekenen dat het ter zake van de onderhavige punten niet tot een vergelijk is gekomen, maar een zodanige aanleiding ziet het hof niet. (...)".
3.3.1 Het middel - dat in elf onderdelen uiteenvalt - komt op tegen het oordeel van het hof dat het in het onderhavige geval in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid om de in te brengen waarde van het huis vast te stellen op de waarde per datum van overlijden van de erflater.