ECLI:NL:HR:2007:AZ8170

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R06/048HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek tot schorsing voorlopige tenuitvoerlegging alimentatiegeschil

In deze zaak stond een geschil tussen voormalige echtelieden centraal over de kinder- en partneralimentatie. De man verzocht de rechtbank Middelburg om wijziging van een eerdere beschikking van de rechtbank Breda, waarbij hij primair wilde dat hij geen bijdrage meer zou betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen, en subsidiair een vermindering van de bijdrage.

De rechtbank wees dit verzoek af en het hof te 's-Gravenhage bekrachtigde deze beslissing. Tegen deze beschikking stelde de man beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. Tevens verzocht hij om schorsing van het verlof tot voorlopige tenuitvoerlegging van de beschikking.

De Hoge Raad oordeelde dat de man niet-ontvankelijk was in zijn incidentele verzoek tot schorsing van het verlof tot voorlopige tenuitvoerlegging. De klachten in het cassatieberoep konden niet tot cassatie leiden en behoefden geen nadere motivering. De Hoge Raad verwerpt het beroep en verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot schorsing van het verlof tot voorlopige tenuitvoerlegging en verwerpt het cassatieberoep.

Uitspraak

13 april 2007
Eerste Kamer
Rek.nr. R06/048HR
MK/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. R.A. van der Hansz,
t e g e n
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 12 juli 2004 ter griffie van de rechtbank Middelburg ingediend verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die rechtbank en verzocht, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Breda van 11 december 1996, voorzover in cassatie van belang, primair te bepalen dat de man geen bijdrage aan verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - betaalt in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen, subsidiair de hoogte van de bijdrage te verminderen.
De vrouw heeft het verzoek bestreden.
De rechtbank heeft bij beschikking van 6 april 2005 het verzoek van de man tot het op nihil stellen van de kinderbijdrage ten behoeve van de minderjarige kinderen vanaf 12 juli 2004 afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij beschikking van 8 maart 2006 heeft het hof de beschikking bekrachtigd.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw is in cassatie niet verschenen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het incidentele verzoek en van het middel
De man kan in zijn verzoek tot schorsing van het verlof tot voorlopige tenuitvoerlegging niet worden ontvangen (zie HR 9 april 2004, C04/014, NJ 2005, 130).
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn incidenteel verzoek;
verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 13 april 2007.