ECLI:NL:HR:2007:AZ8040
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- E.N. Punt
- Rechtspraak.nl
Vrijstelling omzetbelasting voor diensten van tussenpersonen bij verzekeringen en prejudiciële vraag aan Hof van Justitie
Belanghebbende, een tussenpersoon in verzekeringen, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over 1997-1998, welke na bezwaar en beroep bij het Hof werd gehandhaafd. Het Hof oordeelde dat de diensten van belanghebbende niet onder de vrijstelling van artikel 11, lid 1, aanhef en letter k, Wet OB 1968 vielen.
Belanghebbende verrichtte bemiddelingswerkzaamheden namens een andere verzekeringsonderneming (E BV), waaronder het afsluiten en beheren van verzekeringen, en ontving daarvoor een vergoeding. De vraag was of deze werkzaamheden vallen onder de vrijstelling voor diensten van tussenpersonen bij verzekeringen zoals bedoeld in de Zesde richtlijn en de Wet OB.
De Hoge Raad overweegt dat de bewoordingen van de vrijstellingen strikt moeten worden uitgelegd en verwijst naar eerdere jurisprudentie van het Hof van Justitie. Gezien de complexiteit en het Europese karakter van de vraag legt de Hoge Raad deze voor aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.
De Hoge Raad schorst het geding en verzoekt het Hof van Justitie te beslissen of de vrijstelling zich uitstrekt tot werkzaamheden van een persoon die essentiële werkzaamheden van een assurantiemakelaar verricht, terwijl bemiddeling plaatsvindt op naam van een andere makelaar. De uitspraak van het Hof zal bepalend zijn voor de verdere behandeling van de zaak.
Uitkomst: De Hoge Raad schorst de zaak en legt een prejudiciële vraag voor aan het Hof van Justitie over de reikwijdte van de btw-vrijstelling voor diensten van tussenpersonen bij verzekeringen.