ECLI:NL:HR:2007:AZ6708
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling klachtvereiste en termijn bij vervolging zedenzaak minderjarige
In deze zedenzaak stond de vraag centraal of het hof terecht had geoordeeld dat het slachtoffer alsnog een klacht in de zin van art. 164, eerste lid, Sv had gedaan, ondanks het ontbreken van een formele klacht. Het hof had uit de verklaring van het slachtoffer tijdens de terechtzitting in hoger beroep afgeleid dat zij de bedoeling had dat een strafvervolging zou worden ingesteld. Dit oordeel werd door de Hoge Raad niet onbegrijpelijk geacht.
De zaak betrof een subsidiaire tenlastelegging op grond van art. 247 Sr Pro (oud), waarbij vervolging alleen op klacht mogelijk was. De termijn waarbinnen een klacht kon worden ingediend, liep volgens art. 245 lid 4 Sr Pro (oud) door tot het einde van de verjaringstermijn van art. 70 Sr Pro. Het hof achtte de verklaring van het slachtoffer voldoende als klacht binnen deze termijn.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de verdachte en bevestigde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd. De overige middelen konden niet tot cassatie leiden. De uitspraak bevestigt de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ondanks het ontbreken van een formele klacht, indien uit de verklaring van het slachtoffer blijkt dat zij een vervolging wenst.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het hof terecht oordeelde dat het slachtoffer een geldige klacht had ingediend binnen de wettelijke termijn.