ECLI:NL:HR:2007:AZ6168
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- J.W. Ilsink
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid oplegging werkstraf ondanks principiële weigering verdachte
In deze zaak stond de vraag centraal of het opleggen van een werkstraf aan een verdachte die principieel weigert te werken, strijdig is met artikel 4, tweede lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De verdachte was in hoger beroep veroordeeld tot een werkstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis, naast een voorwaardelijke gevangenisstraf.
De verdediging stelde dat het opleggen van een werkstraf aan iemand die niet wil werken neerkomt op gedwongen arbeid, wat verboden is onder artikel 4 EVRM Pro. De Hoge Raad onderzocht deze klacht tegen de achtergrond van de parlementaire geschiedenis van artikel 22c van het Wetboek van Strafrecht en de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.
De Hoge Raad concludeerde dat het opleggen van een werkstraf niet betekent dat de verdachte tegen zijn wil wordt tewerkgesteld, omdat hij de keuze heeft om in plaats daarvan de vervangende hechtenis te ondergaan. De instemming met de taakstraf kan ook blijken uit het daadwerkelijk verrichten van de werkzaamheden. Het beroep van de verdachte werd verworpen, waarmee het hofarrest in stand bleef.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen; de werkstraf is rechtmatig ondanks principiële weigering verdachte.