ECLI:NL:HR:2007:AZ5831
Hoge Raad
- Cassatie
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- A. Hammerstein
- J.C. van Oven
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt handhaving derdenbeslag wegens niet-nakoming omgangsregeling met dwangsommen
In deze zaak vorderde een moeder in kort geding de opheffing van een executoriaal derdenbeslag dat door de vader was gelegd op haar loon. Dit beslag was gelegd vanwege door haar verbeurde dwangsommen wegens het niet naleven van een omgangsregeling met hun drie minderjarige kinderen.
De voorzieningenrechter in eerste aanleg en het gerechtshof in hoger beroep wezen de vorderingen van de moeder af. De moeder stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en verwierp het beroep zonder nadere motivering, conform artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. De moeder werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, terwijl tegen de vader verstek was verleend.
De uitspraak bevestigt de rechtmatigheid van het derdenbeslag als executiemiddel bij niet-nakoming van een omgangsregeling met dwangsommen als sanctie.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en het derdenbeslag blijft gehandhaafd.