ECLI:NL:HR:2007:AZ5831

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C05/316HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt handhaving derdenbeslag wegens niet-nakoming omgangsregeling met dwangsommen

In deze zaak vorderde een moeder in kort geding de opheffing van een executoriaal derdenbeslag dat door de vader was gelegd op haar loon. Dit beslag was gelegd vanwege door haar verbeurde dwangsommen wegens het niet naleven van een omgangsregeling met hun drie minderjarige kinderen.

De voorzieningenrechter in eerste aanleg en het gerechtshof in hoger beroep wezen de vorderingen van de moeder af. De moeder stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en verwierp het beroep zonder nadere motivering, conform artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. De moeder werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, terwijl tegen de vader verstek was verleend.

De uitspraak bevestigt de rechtmatigheid van het derdenbeslag als executiemiddel bij niet-nakoming van een omgangsregeling met dwangsommen als sanctie.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en het derdenbeslag blijft gehandhaafd.

Uitspraak

26 januari 2007
Eerste Kamer
Nr. C05/316HR
RM/GL
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Bij kort gedingvonnis van 14 juli 2004 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Haarlem eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - veroordeeld tot nakoming van de bij beschikking van 26 maart 2004 van de rechtbank Haarlem (voorlopig) vastgestelde omgangsregeling tussen verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - en de drie minderjarige kinderen van partijen, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,-- voor elke dag dat [eiseres] daaraan niet voldoet, met een maximum van € 10.000,--.
[Eiseres] heeft geen gevolg gegeven aan de omgangsregeling en heeft derhalve dwangsommen verbeurd. Op 17 november 2004 heeft [verweerder] executoriaal derdenbeslag op het loon van [eiseres] doen leggen.
Bij exploot van 8 december 2004 heeft [eiseres] [verweerder] in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter in de rechtbank Haarlem en gevorderd het derdenbeslag op te heffen en de dwangsom op nihil te stellen.
[Verweerder] heeft de vordering bestreden.
De voorzieningenrechter heeft de zaak behandeld op 13 december 2004 en bij vonnis van die datum de gevraagde voorzieningen geweigerd.
Tegen het vonnis van de voorzieningenrechter heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 4 augustus 2005 heeft het hof het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd en het in hoger beroep meer of anders gevorderde afgewezen.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder]
begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A. Hammerstein en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 26 januari 2007.