ECLI:NL:HR:2007:AZ5705

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01109/06
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • J.P. Balkema
  • A.J.A. van Dorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 180 Wegenverkeerswet 1994Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 9 Wegenverkeerswet 1994Art. 163 Wegenverkeerswet 1994
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in zaak rijontzegging en strafoplegging Wegenverkeerswet

In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor diverse overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994, waaronder het niet tijdig inleveren van zijn rijbewijs tijdens een opgelegde rijontzegging. Het hof had de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 weken, ontzegging van de rijbevoegdheid voor 12 maanden en verbeurdverklaring van bepaalde goederen. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen. Het middel richtte zich op de bewijsmotivering omtrent de duur van de rijontzegging en de verlenging daarvan door het niet inleveren van het rijbewijs. De Hoge Raad bevestigde dat de verlenging van de rijontzegging ex artikel 180, vierde en zesde lid, Wegenverkeerswet 1994 van rechtswege plaatsvindt zolang het rijbewijs niet is ingeleverd, ondanks de verplichting dit uiterlijk op de ingangsdatum van de ontzegging te doen.

Het hof had de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in appel betrokken, waarin deze toegaf zijn rijbewijs gedurende de ontzeggingstermijn te hebben behouden. De Hoge Raad vond geen aanleiding om het oordeel van het hof te vernietigen en oordeelde dat het cassatiemiddel faalde. Daarmee bleef de strafoplegging en de ontzegging van de rijbevoegdheid in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de strafoplegging met rijontzegging blijft in stand.

Uitspraak

20 februari 2007
Strafkamer
nr. 01109/06
SG/AM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 6 juni 2005, nummer 22/001084-05, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 25 februari 2004 - voor zover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 5 primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 2. "overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder A van de Wegenverkeerswet 1994", 3., 7. en 9. "overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd", 4 primair "overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994", 5 subsidiair "overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994" en 6., 8. en 10. "overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd" veroordeeld tot 16 weken gevangenisstraf met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven en ten aanzien van 2, 3, 5 subsidiair, 7 en 9 telkens tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De conclusie is aan dit arrest gehecht.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel strekt ten betoge dat de bewijsmotivering van het onder 4 primair bewezenverklaarde onbegrijpelijk is.
3.2. Het middel faalt op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 20 februari 2007.