ECLI:NL:HR:2007:AZ2592

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C05/304HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:33 BWArt. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt onverschuldigde betaling bij verhaal na beslag op rekening

De zaak betreft een geschil tussen een bank en een rekeninghouder over een bedrag dat de bank ten onrechte aan de rekeninghouder had uitbetaald ondanks een beslag op diens rekening. De bank vorderde terugbetaling van dit bedrag met rente. De rechtbank veroordeelde de rekeninghouder aanvankelijk bij verstek, maar vernietigde dit vonnis later en wees de vordering af. Het hof stelde de bank in het gelijk en veroordeelde de rekeninghouder tot betaling van het bedrag met rente.

De rekeninghouder stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de eiser niet tot cassatie konden leiden en verwierp het beroep. De Hoge Raad bevestigde daarmee de rechtmatigheid van de veroordeling van de rekeninghouder tot terugbetaling van het bedrag dat onverschuldigd was betaald door de bank.

De Hoge Raad wees erop dat de rechtsvraag geen nadere motivering behoeft omdat deze niet van belang is voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De uitspraak werd gedaan door een kamer van drie raadsheren onder voorzitterschap van A.M.J. van Buchem-Spapens en in het openbaar uitgesproken door E.J. Numann.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt het arrest van het hof en veroordeelt de rekeninghouder tot betaling van het onverschuldigd betaalde bedrag aan de bank.

Uitspraak

26 januari 2007
Eerste Kamer
Nr. C05/304HR
MK/GL
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. J. Groen,
t e g e n
ABN-AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerster in cassatie - verder te noemen: de Bank - heeft bij exploot van 28 juli 1999 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de rechtbank 's-Gravenhage en gevorderd [eiser] te veroordelen om aan de Bank te betalen een bedrag van ƒ 16.193,68, vermeerderd met de overeengekomen rente van 19% per jaar over ƒ 13.896,08, dan wel het onbetaald gelaten gedeelte daarvan, vanaf 5 mei 1999 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bij vonnis van 14 september 1999 heeft de rechtbank [eiser] bij verstek veroordeeld.
[Eiser] is bij dagvaarding van 19 oktober 1999 in verzet gekomen tegen het vonnis van de rechtbank van 14 september 1999 en heeft gevorderd dat hij zal worden ontheven van de veroordeling tegen hem uitgesproken bij voormeld vonnis.
De Bank heeft bij conclusie van antwoord in oppositie haar eis gewijzigd en gevorderd van [eiser], op grond van een door haar aan [eiser] verrichte onverschuldigde betaling, een bedrag van ƒ 13.129,75, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag, dan wel het onbetaald gelaten gedeelte daarvan, vanaf de dag der oorspronkelijke dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.
Bij vonnis van 19 december 2001 heeft de rechtbank het verstekvonnis van 14 september 1999 vernietigd en opnieuw rechtdoende, de vordering van de Bank afgewezen.
Tegen dit vonnis van de rechtbank heeft de Bank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 14 juli 2005 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en opnieuw rechtdoende, het verstekvonnis van 14 september 1999 vernietigd en [eiser] veroordeeld om aan de Bank tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag van € 5.958,02 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 juli 1999.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen Bank is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 1 december 2006 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Bank begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 26 januari 2007.