Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2007:AX7228

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
42385
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • A.R. Leemreis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 lid 3 Belastingverdrag Nederland-BraziliëArt. 24 lid 3 Belastingverdrag Nederland-ItaliëArt. 24 § 1 2° Belastingverdrag Nederland-België
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing verrekening Italiaanse bronheffing en Braziliaanse tax sparing credit

Belanghebbende, een onderneming met een vaste inrichting in België, ontving in 1996 rente uit groepsmaatschappijen in Brazilië en Italië. Over de Italiaanse rente werd bronbelasting ingehouden, terwijl in Brazilië geen bronheffing plaatsvond maar Nederland op grond van het belastingverdrag een tax sparing credit moest verlenen.

De Inspecteur verrekende de Italiaanse bronheffing over rente vóór 1 mei 1996, maar niet over rente ná die datum, noch de Braziliaanse tax sparing credit. Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en oordeelde dat geen verrekening van deze belastingen in Nederland plaatsvindt, mede omdat het resultaat van de vaste inrichting in Nederland is vrijgesteld op grond van het belastingverdrag met België.

De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat de beperking in de belastingverdragen beoogt te voorkomen dat Nederland een vermindering verleent voor inkomsten waarover feitelijk geen Nederlandse belasting verschuldigd is. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en veroordeelt belanghebbende niet in de proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat geen verrekening van de Italiaanse bronheffing en Braziliaanse tax sparing credit plaatsvindt.

Uitspraak

Nr. 42.385
11 mei 2007
IdH
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 16 juni 2005, nr. 02/05161, betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van ƒ 33.570.263, met een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting van ƒ 5.109.539.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 18 mei 2006 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende drijft vanaf 1 mei 1996 een onderneming met behulp van een in België gevestigde vaste inrichting. Tot het vermogen van de vaste inrichting behoren vorderingen op groepsmaatschappijen in Brazilië en Italië.
In 1996 ontving belanghebbende uit Brazilië en Italië rentebedragen op deze groepsvorderingen van respectievelijk ƒ 3.829.325 en ƒ 6.248.870. In Italië is een bedrag van ƒ 624.887 aan bronbelasting ingehouden. Van deze Italiaanse bronheffing ziet een bedrag van ƒ 324.068 op renteontvangsten in de periode vóór 1 mei 1996 en een bedrag van ƒ 300.819 op renteontvangsten in de periode ná 1 mei 1996. In Brazilië is geen bronheffing ingehouden; op grond van artikel 23, leden 3 en 4, van het Belastingverdrag Nederland-Brazilië van 8 maart 1990 (hierna: het Verdrag met Brazilië) moet Nederland een zogenoemde "tax sparing credit" verlenen.
De aan de vaste inrichting toe te rekenen winst bedraagt in het onderhavige jaar ƒ 13.670.447.
3.2.1. De Inspecteur heeft met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2002, nr. 36155, BNB 2002/184, noch de bronheffing ingehouden in Italië op de renteontvangsten ná 1 mei 1996 noch de "tax sparing credit" inzake de Braziliaanse rente verrekend met Nederlandse vennootschapsbelasting. De Italiaanse bronheffing ingehouden op de renteopbrengsten vóór 1 mei 1996 is door de Inspecteur bij de aanslag wel verrekend.
3.2.2. Het Hof heeft geoordeeld dat, hoewel de letterlijke tekst van artikel 23, lid 3, van het Verdrag met Brazilië respectievelijk van artikel 24, lid 3, van het Belastingverdrag Nederland-Italië van 8 mei 1990 (hierna: het Verdrag met Italië) afwijkt van de letterlijke tekst van het belastingverdrag met Japan, welk verdrag aan de orde was in BNB 2002/184, ook die artikelen de door de Hoge Raad in dat arrest gememoreerde strekking hebben, en dat ook bij de toepassing van de Verdragen met Brazilië en Italië rekening dient te worden gehouden met alle voor de berekening van de verrekening van belang zijnde regels, waaronder ook eventuele andere op de desbetreffende inkomensbestanddelen van toepassing zijnde regelingen ter voorkoming van dubbele belasting.
Het Hof heeft aan voormeld oordeel de gevolgtrekking verbonden, dat voor een verrekening van de Italiaanse bronheffing en de Braziliaanse fictieve bronheffing in Nederland geen plaats is.
3.3.1. Artikel 23, lid 3, van het Verdrag met Brazilië en artikel 24, lid 3, van het Verdrag met Italië bepalen dat Nederland ter zake van de in die artikelen genoemde bestanddelen van het inkomen een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting verleent voor zover deze bestanddelen begrepen zijn in de grondslag waarnaar de belasting wordt geheven. Deze laatste beperking heeft de strekking te voorkomen dat Nederland een vermindering van belasting verleent ter zake van inkomsten waarover in Nederland, ook zonder de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting, feitelijk geen belasting is verschuldigd. In een zodanig geval is er immers - bezien vanuit Nederland - geen sprake van een dubbele belastingheffing. Bij de beantwoording van de vraag of van zulke inkomsten sprake is, dient met alle voor de Nederlandse belastingheffing over die inkomsten van belang zijnde regels rekening te worden gehouden waaronder ook eventuele andere op de desbetreffende inkomensbestanddelen van toepassing zijnde regelingen ter voorkoming van dubbele belastingheffing (vgl. HR 8 februari 2002, nr. 36155, BNB 2002/184).
3.3.2. Het Hof heeft in onderdeel 4.4.4 van zijn uitspraak - in cassatie onbestreden - geoordeeld dat de onderhavige rente begrepen is in het resultaat van de vaste inrichting. Het heeft daaraan de gevolgtrekking verbonden dat de bronheffing ter zake toegerekend dient te worden aan het resultaat van de vaste inrichting. Deze gevolgtrekking is juist.
Nu het aan de vaste inrichting toe te rekenen resultaat in Nederland is vrijgesteld op grond van artikel 24, § 1, 2°, van het Belastingverdrag Nederland- België van 19 oktober 1970 is over dit resultaat - en derhalve ook over de in dit resultaat begrepen rente - feitelijk geen belasting verschuldigd. Dit brengt mee, dat het Hof met juistheid heeft geoordeeld dat voor een verrekening van de Italiaanse bronheffing en de Braziliaanse fictieve bronheffing in Nederland geen plaats is. De middelen, die dit oordeel bestrijden, falen derhalve.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2007.