ECLI:NL:HR:2007:AX0794
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- C.J.J. van Maanen
- C.A. Streefkerk
- C. Schaap
- J.W.M. Tijnagel
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt jaar-op-jaar ontstaan verrekeningsvordering voor vermogensbelasting
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1999 een navorderingsaanslag vermogensbelasting opgelegd over een vermogen van ƒ 12.000.000. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag, maar het Hof verklaarde het beroep gegrond en verminderde de aanslag tot ƒ 10.000.000. Belanghebbende stelde hiertegen cassatie in bij de Hoge Raad.
De kern van het geschil betrof de vraag of het vorderingsrecht van belanghebbende op haar echtgenoot, voortvloeiende uit een verrekenbeding, al op 1 januari 1999 bestond of pas na de echtscheiding in 2001. Het Hof oordeelde dat het vorderingsrecht jaarlijks tijdens het huwelijk ontstond, wat door de Hoge Raad werd bevestigd. Dit oordeel is een waardering van feitelijke aard en niet vatbaar voor cassatie.
De Hoge Raad overwoog voorts dat het onzeker blijft of belanghebbende het vorderingsrecht voor eerdere jaren kan inroepen, afhankelijk van het beroep op het vervalbeding en de redelijkheid daarvan. Voor de vermogensbelasting dient het vorderingsrecht te worden meegenomen bij de waardering van het vermogen vanaf het moment dat belanghebbende en haar echtgenoot duurzaam gescheiden zijn gaan leven.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Hiermee is de uitspraak van het Hof definitief bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt het oordeel van het Hof dat het vorderingsrecht jaarlijks tijdens het huwelijk ontstaat.