ECLI:NL:HR:2007:AU6477
Hoge Raad
- Cassatie
- L. Monné
- C.J.J. van Maanen
- C.A. Streefkerk
- C. Schaap
- J.W.M. Tijnagel
- Rechtspraak.nl
Geen discriminatie bij niet-aftrek van belastingschulden in rendementsgrondslag box III
Belanghebbende kreeg voor het jaar 2001 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op basis van een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van €13.655. Later volgde een navorderingsaanslag met een hogere rendementsgrondslag van €25.340, die na bezwaar werd gehandhaafd. Het hof verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond. In cassatie stelde belanghebbende dat artikel 5.3, lid 3, letter a, Wet IB 2001, dat belastingschulden bij het bepalen van de rendementsgrondslag niet meeneemt, leidt tot verboden discriminatie volgens artikel 26 IVBPR Pro.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat niet elke ongelijke behandeling een verboden discriminatie is, mits er een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. De wetgever heeft een ruime beoordelingsvrijheid op fiscaal terrein, en de gekozen regeling beperkt administratieve lasten, voorkomt complexe herberekeningen en vermindert risico's op procedures. Deze belangen rechtvaardigen de ongelijke behandeling.
De Hoge Raad concludeerde dat de regeling binnen de redelijke beoordelingsmarge valt en dat de verdragsbepalingen niet vereisen dat elke ongelijkheid in alle situaties wordt vermeden. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het hof bevestigd.