ECLI:NL:HR:2006:AZ3869
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- A.R. Leemreis
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Vaststelling termijn voor verzoek overdracht basisaftrek in inkomstenbelasting
Belanghebbende kreeg voor het jaar 2000 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd, welke na bezwaar en beroep bij het Hof Leeuwarden werd gehandhaafd. Belanghebbende stelde dat zij en haar zoon een verzoek tot overdracht van de basisaftrek hadden ingediend, maar dit verzoek ontbrak in de gedingstukken. De Hoge Raad oordeelde dat niet kan worden uitgesloten dat het verzoek bij het Hof is ingekomen en dat het oordeel van het Hof dat geen verzoek is gedaan zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het Hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling, waarbij het Hof moet onderzoeken of het verzoek op 17 februari 2004 nog tijdig was ingediend en of de aanslag van de zoon op dat moment onherroepelijk was.
Daarnaast werd bepaald dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van het griffierecht en dat de Minister van Financiën de kosten van het cassatieproces moet vergoeden. De zaak betreft de uitleg van artikel 56, lid 4, Wet IB 1964 over de termijn waarbinnen een verzoek tot overdracht van de basisaftrek kan worden gedaan.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling.