ECLI:NL:HR:2006:AZ3678

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C05/265HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 Wet op de waterhuishoudingArt. 81 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overheidsaansprakelijkheid wegens onvoldoende handhaving waterstand en schadevergoeding

De zaak betreft een geschil tussen de eigenaar van een boerderij en het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht over de aansprakelijkheid voor schade aan de houten fundering van de boerderij. De fundering was deels verrot door droogstand, veroorzaakt door onvoldoende handhaving van het voor de waterstand geldende streefpeil.

De eigenaar vorderde een schadevergoeding van ƒ 133.670,--, maar de rechtbank wees de vordering af. Het gerechtshof bekrachtigde dit vonnis. De eigenaar stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de eigenaar niet tot cassatie konden leiden en verwierp het beroep. Daarbij speelde de formele rechtskracht van het peilbesluit en de betekenis van de schadevergoedingsregeling in artikel 40 van Pro de Wet op de waterhuishouding een rol. De Hoge Raad veroordeelde de eigenaar in de kosten van het geding in cassatie.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de eigenaar wordt verworpen en de vordering tot schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

22 december 2006
Eerste Kamer
Nr. C05/265HR
RM/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,
t e g e n
HOOGHEEMRAADSCHAP AMSTEL, GOOI EN VECHT,
gevestigd te Hilversum,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. M.E. Gelpke.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 12 januari 2001 verweerster in cassatie - verder te noemen: het Hoogheemraadschap - gedagvaard voor de rechtbank te Amsterdam en gevorderd het Hoogheemraadschap te veroordelen tot betaling van ƒ 133.670,-- met de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten.
Het Hoogheemraadschap heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft, na bij tussenvonnis een comparitie van partijen te hebben gelast, bij eindvonnis van 11 juni 2003 de vordering afgewezen.
Tegen dit eindvonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 23 juni 2005 heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het Hoogheemraadschap heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor het Hoogheemraadschap toegelicht door haar advocaat, [eiser] heeft haar standpunt niet nader toegelicht.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van het Hoogheemraadschap begroot op € 2.001,34 aan verschotten en € 2.200,-- salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 22 december 2006.