ECLI:NL:HR:2006:AZ1154

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01583/06 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • G.J.M. Corstens
  • J.W. Ilsink
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 Sv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid herzieningsverzoek wegens ontbreken nieuwe bewijsmiddelen

De zaak betreft een verzoek tot herziening van een vonnis van de Rechtbank Rotterdam uit 1996, waarbij de aanvrager was veroordeeld voor diefstal met geweld en het niet voldoen aan een ambtelijk bevel. De aanvrager stelde dat hij niet in de gelegenheid was gesteld zich te verdedigen omdat hij niet op de hoogte was gesteld van zijn voorarrest, de dagvaarding niet had ontvangen en niet op de hoogte was van de uitspraak.

De Hoge Raad beoordeelde of deze omstandigheden, die niet tijdens de oorspronkelijke terechtzitting aan het licht waren gekomen, het ernstig vermoeden wekten dat het onderzoek tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkheid of een lichtere straf zou hebben geleid. De Hoge Raad oordeelde dat deze omstandigheden, noch afzonderlijk noch gezamenlijk, tot een dergelijke conclusie konden leiden.

Daarom verklaarde de Hoge Raad het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de oorspronkelijke veroordeling blijft staan en het verzoek om herziening niet wordt behandeld op inhoudelijke gronden.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van nieuwe omstandigheden die tot vrijspraak of ontslag zouden leiden.

Uitspraak

12 september 2006
Strafkamer
nr. 01583/06 H
MR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 16 april 1996, nummer 10/010302-96, ingediend door mr. J.E. Braak, advocaat te Utrecht, namens:
[aanvrager], alias [aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, zonder woon- of verblijfplaats hier ten lande.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Rechtbank heeft de aanvrager ter zake van 1. "diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen" en 2. "opzettelijk niet voldoen aan een bevel gedaan door een ambtenaar bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. In de aanvrage wordt aangevoerd dat de aanvrager niet in de gelegenheid is gesteld zich te verdedigen en niet tijdig de daartoe juiste rechtsmiddelen heeft kunnen aanwenden omdat de aanvrager niet op de hoogte is gesteld van "de verlening van zijn voorarrest", terwijl hem bovendien nimmer de dagvaarding is uitgereikt en de aanvrager voorts niet op de hoogte is gesteld van de uitspraak.
3.3. De in de aanvrage genoemde omstandigheden hadden, indien juist noch afzonderlijk noch in samenhang beschouwd kunnen leiden tot een van de hiervoor onder 3.1 genoemde beslissingen. Daarom is de aanvrage niet-ontvankelijk.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 12 september 2006.