ECLI:NL:HR:2006:AZ0721

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01671/06 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • G.J.M. Corstens
  • B.C. de Savornin Lohman
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Leeuwarden inzake diefstal met geweld

In deze zaak gaat het om een aanvrage tot herziening van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Leeuwarden, uitgesproken op 7 april 2006. De aanvrager, geboren in 1970 en wonende te [woonplaats], was veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden voor diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen. De aanvrage tot herziening is ingediend op basis van een verklaring van de aangever, die terugkwam op een eerder door hem afgelegde belastende verklaring. De aangever stelde dat zijn aangifte niet naar waarheid was opgemaakt en dat hij deze had ondertekend zonder deze te hebben gelezen.

De Hoge Raad heeft de aanvrage beoordeeld aan de hand van de wettelijke vereisten voor herziening, zoals vastgelegd in artikel 457 van het Wetboek van Strafvordering. De Hoge Raad oordeelde dat de aanvrager niet aannemelijk had gemaakt dat de verklaring van de getuige onjuist was. De enkele verklaring van de aangever dat de aangifte niet naar waarheid was afgelegd, was onvoldoende om aan te nemen dat het onderzoek anders zou zijn verlopen indien deze verklaring eerder bekend was geweest.

Uiteindelijk concludeerde de Hoge Raad dat er geen sprake was van omstandigheden die een ernstig vermoeden wekten dat de uitkomst van de zaak anders zou zijn geweest. De aanvrage tot herziening werd dan ook afgewezen. Dit arrest is uitgesproken op 26 september 2006 door de vice-president en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier.

Uitspraak

26 september 2006
Strafkamer
nr. 01671/06 H
MR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Leeuwarden van 7 april 2006, nummer 17/840505-05, ingediend door:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Politierechter heeft de aanvrager ter zake van "diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken" veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. In de aanvrage wordt aangevoerd dat het onderzoek destijds niet tot een veroordeling zou hebben geleid indien de Politierechter kennis had gedragen van de verklaring van aangever [aangever], in welke deze terugkomt op een eerder door hem afgelegde, voor de aanvrager belastende verklaring.
Die verklaring houdt in:
"Hierbij verklaard ondergetekende:
[Aangever], (...) Naar waarheid de volgende verklaring te hebben opgemaakt en ondertekend: dat hij op of omstreeks 16-8-2005 aangifte heeft gedaan die niet naar waarheid is opgemaakt/afgelegd. Dit tegen [aanvrager], (...), te Leeuwarden. Maar in bewoordingen van een politieagent te Leeuwarden is opgemaakt (...), en door mij is ondertekend zonder te zijn gelezen."
3.3. Vooropgesteld moet worden dat een aanvrager bij een aanvrage tot herziening aannemelijk moet maken dat en waarom een getuige op een hem belastende verklaring terugkomt (vgl. HR 29 april 1997, NJ 1997, 688).
3.4. Aan dit vereiste is niet voldaan. De enkele verklaring van een aangever dat een aangifte niet naar waarheid is afgelegd dan wel opgemaakt omdat hij de verklaring heeft ondertekend zonder deze te lezen, levert onvoldoende grond op aan te nemen dat de verklaring onjuist is geweest. Dit brengt mee dat niet is gebleken van een omstandigheid welke een ernstig vermoeden kan wekken als hiervoor onder 3.1 bedoeld.
3.5. Hieruit volgt dat de aanvrage kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier D.N.I. Gjaltema, en uitgesproken op 26 september 2006.