ECLI:NL:HR:2006:AZ0422
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Urencriterium en tijdsbesteding aan afronding onderneming na staking
Belanghebbende was in beroep tegen een aanslag inkomstenbelasting en heffingsrente over 1997. De Inspecteur had de aanslag verminderd, maar een later ingediend bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard. Het Gerechtshof Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat na de verkoop van de onderneming op 1 mei 1997 geen onderneming meer werd gedreven en de daarna bestede uren niet als ondernemingsuren konden worden gerekend.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof een onjuiste rechtsopvatting had, omdat de afwikkeling van een onderneming na staking nauw samenhangt met het feitelijk drijven van die onderneming. De tijd besteed aan deze afwikkeling kan daarom worden meegeteld voor het urencriterium zoals bedoeld in artikel 44m van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Daarnaast wees de Hoge Raad het middel af dat de heffingsrente niet in rekening gebracht had mogen worden vanwege vertraging door de Inspecteur, verwijzend naar eerdere jurisprudentie. Het geding werd verwezen naar het Gerechtshof Arnhem voor nadere behandeling, met name over de vraag of de werkzaamheden ter afwikkeling in het kader van een dienstbetrekking met de overnemer waren verricht.
De Hoge Raad wees proceskostenveroordeling af en bepaalde dat de Staat het griffierecht van belanghebbende vergoedt.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is gegrond verklaard en de zaak is verwezen naar het Gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling.