ECLI:NL:HR:2006:AZ0264
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt veroordeling voor medeplegen invoer cocaïne met voorwaardelijk opzet
De verdachte richtte in mei 2003 op verzoek van een man die hij in een bar ontmoette een eenmanszaak op voor import en export van diepvriesgroenten uit Suriname. Hij voerde geen administratie en ontving contante betalingen voor minimale werkzaamheden, waaronder het huren van een loods en het vervoeren van goederen die vermoedelijk uit Suriname afkomstig waren.
Het hof oordeelde dat verdachte bewust het risico heeft aanvaard dat de geïmporteerde goederen verdovende middelen bevatten, mede gezien zijn bancaire opleiding en eerdere woonplaats Suriname. De verdediging voerde aan dat verdachte onervaren en naïef was en geen bewust voorwaardelijk opzet had, maar dit werd verworpen.
De Hoge Raad bevestigde dat verklaringen van de raadsman niet als bewijsmiddel kunnen gelden, maar dat het hof terecht de stelling van de raadsman verwierp. Het gebruik van de mededeling dat verdachte in Suriname had gewoond, was geoorloofd omdat dit overeenkwam met de verklaring van verdachte zelf.
Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling tot vijf jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van invoer van cocaïne werd gehandhaafd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte tot vijf jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van invoer van cocaïne met voorwaardelijk opzet.