Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2006:AZ0247

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
03129/05
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • J.P. Balkema
  • H.A.G. Splinter-Kan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 302 SrArt. 141, tweede lid, Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt vrijspraak wegens onjuiste causaliteitsmaatstaf bij zware mishandeling

Op 10 januari 2004 vond in café 't Elfje te 's-Gravenhage een geweldsincident plaats waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opliep. Verdachte werd in hoger beroep door het hof vrijgesproken van medeplegen zware mishandeling en van het subsidiair tenlastegelegde openlijke geweldpleging met strafverzwarende omstandigheden. Het hof motiveerde de vrijspraak mede doordat niet geheel kon worden uitgesloten dat het letsel mede was veroorzaakt door de wijze waarop derden het slachtoffer uit het café hadden gebracht.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof de causaliteitsmaatstaf onjuist had toegepast. De vraag of het letsel aan verdachte kan worden toegerekend moet worden beoordeeld aan de hand van de redelijke toerekenbaarheid van het letsel aan het door verdachte uitgeoefende geweld, zonder dat het feit dat latere handelingen van derden niet geheel zijn uit te sluiten, een vrijspraak rechtvaardigt.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor een hernieuwde berechting en afdoening op het bestaande hoger beroep. Het arrest werd gewezen door de vice-president Koster en raadsheren Balkema en Splinter-Kan op 28 november 2006.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens onjuiste causaliteitsmaatstaf en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

28 november 2006
Strafkamer
nr. 03129/05
km/CAW
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 april 2005, nummer 22/002698-04, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 12 mei 2004 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van subsidiair "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen" veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande beroep te worden berecht en afgedaan.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel, dat in een drietal klachten uiteenvalt, klaagt onder meer over de door het Hof gegeven motivering voor de vrijspraken ter zake van het primair tenlastegelegde en ter zake van een gedeelte van het subsidiair tenlastegelegde.
3.2. Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd dat:
"hij op of omstreeks 10 januari 2004 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [het slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten schedel- en/of hersenletsel) heeft toegebracht, door deze opzettelijk in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd, althans het lichaam te slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen, tengevolge waarvan hij met zijn hoofd op de (granieten) vloer is gevallen;
Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 10 januari 2004 te 's-Gravenhage met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten café 't Elfje, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [het slachtoffer], welk geweld bestond uit het slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer], waarbij hij, verdachte [...], heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer], welk door hem gepleegd geweld zwaar lichamelijk letsel, namelijk schedel- en hersenletsel, althans enig lichamelijk letsel, voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad."
3.3. Daarvan is bewezenverklaard dat:
"hij op 10 januari 2004 te 's-Gravenhage met een ander in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten café 't Elfje, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [het slachtoffer], welk geweld bestond uit het slaan en stompen in/tegen het gezicht en schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer]."
3.4. Met betrekking tot de vrijspraak van het primair tenlastegelegde en het subsidiair tenlastegelegde, voor zover het de in art. 141, tweede lid, Sr bedoelde strafverzwarende omstandigheden betreft, heeft het Hof het volgende overwogen:
"Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair en subsidiair, voorzover het de in artikel 141, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, bedoelde strafverzwarende omstandigheden betreft, is tenlastegelegd, reeds omdat niet geheel kan worden uitgesloten dat het in de tenlastelegging bedoelde lichamelijke letsel mede is veroorzaakt door de wijze waarop het slachtoffer door derden uit café 't Elfje naar buiten is gebracht, te weten door, terwijl hij op zijn rug op de grond lag, aan zijn armen en benen te trekken en hem via de van traptreden voorziene voordeur over de vloer naar buiten te slepen. De verdachte moet derhalve hiervan worden vrijgesproken."
3.5. Vooropgesteld moet worden dat de beantwoording van de vraag of er causaal verband bestaat tussen het door de verdachte en zijn mededader uitgeoefende geweld en het letsel, dan wel, voor wat de onder subsidiair tenlastegelegde strafverzwarende omstandigheid betreft, tussen het door de verdachte uitgeoefende geweld en het letsel, dient te geschieden aan de hand van de maatstaf of dat letsel redelijkerwijs als gevolg van het uitoefenenen van dat geweld aan de verdachte en zijn mededader, onderscheidenlijk aan de verdachte kan worden toegerekend.
Het oordeel van het Hof dat aan een bewezenverklaring van dat causaal verband in de weg staat dat niet geheel kan worden uitgesloten dat latere handelingen van derden mede hebben geleid tot dat letsel, geeft blijk van miskenning van de hier aan te leggen maatstaf. Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld.
4. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het middel voor het overige geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak;
Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en H.A.G. Splinter-Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 28 november 2006.