ECLI:NL:HR:2006:AY8652

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
41419
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • E.N. Punt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt dat uitdeling door B.V. niet eerder dan oprichtingsdatum kan worden toegerekend

Belanghebbende, die in 1998 een administratie- en advieskantoor exploiteerde in de vorm van een vennootschap onder firma en tevens directeur en enig aandeelhouder was van een B.V., kreeg voor het jaar 1998 een navorderingsaanslag en boete opgelegd. De B.V. was opgericht op 12 mei 1998 en had de onderneming vanaf 1 juli 1997 voor eigen rekening gedreven. In de tweede helft van 1997 werd een creditering van ƒ 48.000 aan de echtgenote van belanghebbende gedaan door de B.V. in oprichting.

Het Hof oordeelde dat deze creditering als uitdeling van winst moest worden aangemerkt en dat deze uitdeling vanwege bekrachtiging bij oprichting moest worden toegerekend aan 12 mei 1998, de oprichtingsdatum van de B.V. Belanghebbende stelde hiertegen cassatie in, stellende dat de uitdeling eerder had moeten worden toegerekend.

De Hoge Raad verwierp deze klacht en bevestigde dat een uitdeling door een B.V. niet eerder dan de oprichtingsdatum kan worden toegerekend, omdat de B.V. voor die datum niet bestond. Verder werden de overige klachten niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang voor rechtsontwikkeling. De Hoge Raad wees proceskostenveroordeling af en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de uitdeling door de B.V. niet eerder dan de oprichtingsdatum kan worden toegerekend.

Uitspraak

Nr. 41.419
22 september 2006
LC
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 4 augustus 2004, nr. 02/04914, betreffende na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikking.
1. Navorderingsaanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 56.298, alsmede een boete van ƒ 8911. De navorderingsaanslag en boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur betreffende de boetebeschikking vernietigd, de boete verminderd tot op € 3919 en de navorderingsaanslag gehandhaafd. 's Hofs uitspraak is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. Verboom, advocaat te Eindhoven.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende exploiteerde in 1998 samen met zijn echtgenote in de vorm van een vennootschap onder firma (hierna: de v.o.f.) een administratie- en advieskantoor. Belanghebbende was voor 35 percent gerechtigd tot de vennootschappelijke winst.
Naast vennoot van de v.o.f. was belanghebbende in 1998 tevens directeur en enig aandeelhouder van X1 B.V., welke vennootschap (hierna: de B.V.) op 12 mei 1998 bij notarieel verleden akte is opgericht. De in de B.V. ingebrachte onderneming werd met ingang van 1 juli 1997 voor rekening en risico van de B.V. gedreven. Bij oprichting zijn de in de voorperiode namens de B.V. verrichte rechtshandelingen door haar bekrachtigd. Het eerste boekjaar van de B.V. liep van 12 mei 1998 tot en met 31 december 1998.
In de tweede helft van 1997 heeft de B.V. (i.o.) de echtgenote van belanghebbende gecrediteerd voor een bedrag van ƒ 48.000.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat met betrekking tot deze creditering is voldaan aan de vereisten voor het aanmerken daarvan als uitdeling van winst. Het Hof heeft in dit verband geoordeeld dat de B.V. deze creditering bij oprichting heeft bekrachtigd, en dat de uitdeling vanwege de bekrachtiging moet worden geacht te zijn verricht op 12 mei 1998, de eerste dag van het eerste boekjaar van de B.V.
3.3. De klacht, die tegen laatstvermeld oordeel opkomt, faalt. Nu de B.V. niet bestond voor 12 mei 1998, kan de uitdeling niet eerder dan op dat tijdstip in aanmerking worden genomen.
3.4. De klachten kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, de vicepresident D.G. van Vliet, en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2006.