ECLI:NL:HR:2006:AY8288

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C05/238HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt aansprakelijkheid vervoerder ondanks cocaïne in lading koffie

In deze zaak staat een geschil centraal tussen de koper van een lading koffie en de zeevervoerder over de aansprakelijkheid voor schade geleden door de aanwezigheid van cocaïne in de lading na lossing in Dubai. De lading koffie werd vervoerd onder een cognossement van Colombia via Nederland naar Dubai.

De eisers vorderden betaling van ruim 11 miljoen USD wegens de geleden schade, stellende dat de vervoerder aansprakelijk is ondanks het cognossement. De vervoerder betwistte dit en voerde aan dat het cognossement vrijtekening van aansprakelijkheid bevat.

De rechtbank stond bewijslevering toe, maar het gerechtshof vernietigde het vonnis van de rechtbank en wees de vordering af. De eisers stelden vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten in het cassatieberoep niet leiden tot cassatie en bevestigde daarmee het arrest van het hof. De Hoge Raad stelde dat het cognossement geen vrijtekening van aansprakelijkheid biedt voor de schade door de cocaïne in de lading en veroordeelde de eisers in de kosten van het geding.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.

Uitspraak

17 november 2006
Eerste Kamer
Nr. C05/238HR
MK/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiser 1],
wonende te [woonplaats], Zwitserland,
2. GCC INVESTMENTS AND TRADE LTD,
gevestigd te Tortola, Britse Maagdeneilanden,
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. R.T.R.F. Carli,
t e g e n
P&O NEDLLOYD B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. M.V. Polak.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eisers tot cassatie sub 1 en 2 - verder afzonderlijk te noemen: [eiser 1] en GCC, dan wel gezamenlijk: [eiser] c.s. - hebben bij exploot van 18 maart 1993 verweerster in cassatie - verder te noemen: Nedlloyd - gedagvaard voor de rechtbank te Rotterdam en gevorderd, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Nedlloyd te veroordelen aan [eiser] c.s. te betalen een bedrag van USD 11.078.223,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding en Nedlloyd te veroordelen in de kosten van het geding.
Nedlloyd heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 4 oktober 2001 Nedlloyd toegelaten tot bewijslevering.
Tegen dit tussenvonnis heeft Nedlloyd hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. [Eiser] c.s. hebben incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij arrest van 22 maart 2005 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd, de vordering van [eiser] c.s. alsnog afgewezen en [eiser] c.s. in de proceskosten veroordeeld.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Nedlloyd heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Nedlloyd begroot op € 5.802,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, A.M.J. van Buchem-Spapens en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 17 november 2006.