ECLI:NL:HR:2006:AY7204
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Waarde van onroerende zaak met gedeeltelijk rijksmonumentaal gedeelte volgens Wet WOZ
In deze zaak stond centraal de vraag of een object dat gedeeltelijk als rijksmonument is aangemerkt, voor de toepassing van de Wet WOZ in zijn geheel of slechts gedeeltelijk naar de waarde in het economische verkeer moet worden gewaardeerd.
Belanghebbende was eigenaar en gebruiker van een militair complex met diverse gebouwen, waarvan een kantoorgedeelte als rijksmonument was geregistreerd. Het Hof oordeelde dat het rijksmonumentale gedeelte gewaardeerd moest worden naar de waarde in het economische verkeer, terwijl het niet-monumentale gedeelte volgens de gecorrigeerde vervangingswaarde moest worden gewaardeerd.
Belanghebbende stelde in cassatie dat de waarderingsmethode voor het gehele object moest gelden en dat het gehele object als rijksmonument moest worden beschouwd. De Hoge Raad bevestigde echter dat het object als één onroerende zaak moet worden gezien, maar dat de waardering volgens art. 17 lid 3 Wet Pro WOZ uitsluit dat monumenten met een lage economische waarde door toepassing van die bepaling te zwaar worden belast.
Het Hof had terecht het monumentale gedeelte gewaardeerd naar de waarde in het economische verkeer en het overige gedeelte naar de gecorrigeerde vervangingswaarde. Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard; het object wordt deels naar waarde in het economische verkeer en deels naar gecorrigeerde vervangingswaarde gewaardeerd.