ECLI:NL:HR:2006:AY7117

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
02494/05 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • C.J.G. Bleichrodt
  • A.J.A. van Dorst
  • H.A.G. Splinter-van Kan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 Sv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek wegens gebrek aan nieuwe omstandigheden

De zaak betreft een verzoek tot herziening van een vonnis van de Rechtbank Maastricht uit 1970, waarbij de aanvrager was veroordeeld voor twee feiten van verduistering tot acht maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk.

De aanvrager had reeds vier eerdere herzieningsverzoeken ingediend die allen niet-ontvankelijk werden verklaard wegens het ontbreken van nieuwe omstandigheden die het ernstig vermoeden konden wekken dat het onderzoek tot een andere uitkomst had geleid.

Het huidige verzoek steunt op dezelfde gronden als de eerdere verzoeken en wordt daarom eveneens niet-ontvankelijk verklaard. Het enkele feit dat de aanvrager een kwitantie in een oude koffer vond, verandert hier niets aan.

De Hoge Raad bevestigt hiermee de strikte criteria voor herziening en het belang van nieuwe, relevante bewijsmiddelen die bij het oorspronkelijke onderzoek niet bekend waren.

Uitkomst: Het herzieningsverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van nieuwe, relevante omstandigheden.

Uitspraak

22 augustus 2006
Strafkamer
nr. 02494/05 H
AM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank te Maastricht van 16 november 1970, nummer MK 401/70, ingediend door:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1930, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Rechtbank heeft de aanvrager ter zake van twee feiten, elk opleverende "verduistering" veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening en de aanvulling daarop van 25 mei 2006 zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. De aanvrager heeft vier keer eerder herziening verzocht van het hiervoor genoemde vonnis. Die aanvragen zijn door de Hoge Raad bij beschikkingen van respectievelijk 9 januari 1979, 18 december 1979, 7 september 1982 en 14 februari 1995 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het in deze aanvragen gestelde niets behelst wat kan worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.1 vermeld.
3.3. De onderhavige aanvrage steunt in wezen op dezelfde gronden als die welke in de eerdere aanvragen zijn aangevoerd en door de Hoge Raad ongenoegzaam zijn geoordeeld. De aanvrage is daarom niet-ontvankelijk. De omstandigheid dat de aanvrager, naar hij stelt, een kwitantie heeft aangetroffen in een oude koffer, doet aan het voorgaande niet af.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier D.N.I. Gjaltema, en uitgesproken op 22 augustus 2006.