ECLI:NL:HR:2006:AY6997

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R05/005HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bijdrage vader in kosten levensonderhoud en studie meerderjarig kind

De zaak betreft een geschil tussen een meerderjarig kind en zijn vader over de bijdrage in kosten van levensonderhoud en studie vanaf het moment dat het kind meerderjarig werd. De zoon verzocht de rechtbank Amsterdam om de vader te verplichten maandelijks €300 te betalen. De rechtbank wees dit verzoek toe, waarna de vader in verzet ging en tevens de uitvoerbaarheid bij voorraad wilde opschorten. Dit verzoek werd afgewezen en de vader werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn overige verzoeken.

De vader ging in hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam, waar hij verzocht de bijdrage met ingang van 4 september 2003 op nihil te stellen of op een ander bedrag en datum naar keuze van het hof. De zoon wijzigde zijn verzoek vanwege de inkomensdaling van de vader per 1 juni 2004, en vroeg vanaf die datum de bijdrage op nihil te stellen, terwijl hij voor de periode daarvoor de beschikking wilde laten bekrachtigen.

Het hof bekrachtigde de bijdrage voor de periode 4 september 2003 tot 1 juni 2004 en stelde de bijdrage vanaf 1 juni 2004 op nihil. De vader stelde beroep in cassatie in tegen deze beschikking. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep zonder nadere motivering, omdat de klachten niet tot cassatie konden leiden en geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling betroffen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de vader en bevestigde de bijdrage in kosten van levensonderhoud en studie tot 1 juni 2004.

Uitspraak

15 september 2006
Eerste Kamer
Rek.nr. R05/005HR
RM/MK
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vader],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. J. Groen,
t e g e n
[De zoon],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 3 november 2003 ter griffie van de rechtbank te Amsterdam ingekomen verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de zoon - zich gewend tot die rechtbank en verzocht - met wijziging van de beschikking van de rechtbank te Amsterdam van 20 maart 2002 - te bepalen dat verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de vader - met ingang van 4 september 2003 per maand aan hem zal betalen een bijdrage in zijn kosten van levensonderhoud en studie van € 300,-- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.
De vader heeft binnen de gestelde termijn geen verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bij - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 21 januari 2004 het verzoek van de zoon toegewezen. Tegen deze beschikking is de vader in verzet gekomen bij de rechtbank. De vader heeft tevens bij een "verzoek in het incident" verzocht de uitvoerbaarheid bij voorraad van voormelde beschikking op te schorten.
De zoon heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bij beschikking van 17 maart 2004 het verzoek in het incident afgewezen en de vader niet-ontvankelijk verklaard in zijn overige verzoeken.
Tegen de beschikking van 21 januari 2004 heeft de vader hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te
Amsterdam. De vader heeft in hoger beroep verzocht de bestreden beschikking te vernietigen met wijziging in zoverre van de beschikking van 20 maart 2002 en voorts de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de zoon met ingang van 4 september 2003 op nihil te stellen, althans op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht.
De zoon heeft aanvankelijk verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen, doch ter terechtzitting heeft hij zijn inleidend verzoek gewijzigd, in die zin dat hij wegens de inkomensdaling van de vader per 1 juni 2004 thans verzoekt de door de vader te betalen bijdrage in zijn kosten van levensonderhoud en studie met ingang van deze datum op nihil te stellen. Ten aanzien van 4 september 2003 tot 1 juni 2004 heeft de zoon verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Bij beschikking van 14 oktober 2004 heeft het hof de bestreden beschikking bekrachtigd voor de periode van 4 september 2003 tot 1 juni 2004. Het hof heeft voorts, met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank van 20 maart 2002, de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de zoon met ingang van 1 juni 2004 op nihil bepaald.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vader beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De zoon heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van de vader heeft bij brief van 2 juni 2006 op die conclusie gereageerd. Naar aanleiding van een door de plaatsvervangend Procureur-Generaal opgesteld corrigendum, heeft de advocaat van de vader bij brief van 27 juni 2006 gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 15 september 2006.