ECLI:NL:HR:2006:AY0113
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- J.W. Ilsink
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt veroordeling poging tot diefstal met braak ondanks cassatiemiddelen
De verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld wegens poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen met braak, gepleegd op 21 januari 2004 in Vinkeveen. Het hof vernietigde het verstekvonnis van de politierechter en legde een gevangenisstraf van twee maanden op. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest.
In cassatie stelde de verdachte onder meer dat de rechter bij toepassing van art. 359, derde lid, tweede volzin Sv, had moeten aantonen dat hij na eerdere bekentenissen niet anders had verklaard of dat hij geen vrijspraak had bepleit. De Hoge Raad verwierp dit verweer als onjuist. Tevens klaagde de verdachte dat het hof bij verwijzing naar het proces-verbaal van aangifte niet had vermeld ter zake waarvan het was opgemaakt, wat eveneens niet op steun in het recht kon rekenen.
Voorts betwistte de verdachte dat zijn verklaring voldoende was om hem te veroordelen, omdat hij slechts had bekend een kluis te hebben willen meenemen, terwijl het bewezen verklaarde feit betrekking had op het wegnemen van geld of goederen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof deze verklaring begrijpelijk zo heeft uitgelegd dat het ging om de inhoud van de kluis.
Omdat geen van de middelen slaagde en er geen reden was voor ambtshalve vernietiging, werd het cassatieberoep verworpen. Hiermee bleef het arrest van het hof in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling tot twee maanden gevangenisstraf voor poging tot diefstal met braak.