ECLI:NL:HR:2006:AY0099

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
02290/05
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt overschrijding redelijke termijn in hoger beroep zonder strafvermindering

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin verdachte bij verstek werd veroordeeld voor bedreiging, wederspannigheid en eenvoudige belediging. De dagvaarding voor het hoger beroep was niet aan verdachte in persoon betekend. Verdachte stelde op 4 juli 2003 hoger beroep in, maar de stukken kwamen pas op 26 april 2004 bij het hof binnen.

De Hoge Raad stelt vast dat het hof onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de redelijke termijn niet was overschreden zonder nadere motivering. De Hoge Raad neemt het oordeel over dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden, maar ziet geen grond voor strafvermindering gezien de aard en duur van de opgelegde straf.

De overige middelen van cassatie worden verworpen zonder nadere motivering. De Hoge Raad wijst het beroep af en bevestigt daarmee het arrest van het hof, waarbij de redelijke termijn is overschreden maar dit niet leidt tot strafvermindering.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling en oordeelt dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden zonder strafvermindering.

Uitspraak

26 september 2006
Strafkamer
nr. 02290/05
IV/AM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 3 december 2004, nummer 22/002031-04, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 4 juli 2003 - de verdachte ter zake van 1. "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht", 2. "wederspannigheid" en 3. "eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd" veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld. Tevens is de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M. de Boorder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het vijfde middel
3.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte niet in zijn oordeel heeft betrokken dat de redelijke termijn is overschreden en dat het Hof de opgelegde straf ten onrechte niet heeft verminderd.
3.2. Vooropgesteld zij dat de rechter ambtshalve dient te onderzoeken of inbreuk is gemaakt op de garantie van art. 6, eerste lid, EVRM. De rechter behoeft in zijn uitspraak echter alleen in de volgende gevallen te doen blijken van dat onderzoek:
a. Als er ter terechtzitting door of namens de verdachte terzake verweer is gevoerd, aangezien op een zodanig verweer een gemotiveerde beslissing dient te worden gegeven.
b. Als in een bij verstek berechte zaak waarin de dagvaarding of de oproeping niet aan de verdachte in persoon is betekend, het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de redelijke termijn niet is overschreden, zonder nadere motivering onbegrijpelijk zou zijn (vgl. HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721).
3.3. Het Hof heeft de zaak bij verstek berecht, terwijl de appeldagvaarding niet aan de verdachte in persoon was betekend. De verdachte heeft op 4 juli 2003 hoger beroep ingesteld tegen het op diezelfde dag gewezen vonnis van de Politierechter. De stukken zijn op 26 april 2004 ter griffie van het Hof binnengekomen. Het in 's Hofs arrest besloten liggende oordeel dat de redelijke termijn niet is overschreden, is zonder nadere motivering die ontbreekt niet begrijpelijk. Het middel klaagt daarover terecht. De Hoge Raad zal de zaak om doelmatigheidsredenen zelf afdoen. In cassatie wordt ervan uitgegaan dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in hoger beroep is overschreden. Voor strafvermindering bestaat geen grond, gelet op de aan de verdachte opgelegde straf en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. De Hoge Raad zal daarom volstaan met het oordeel dat die termijn in hoger beroep is overschreden.
3.4. Het middel leidt dus niet tot cassatie.
4. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 26 september 2006.