ECLI:NL:HR:2006:AX9701
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- E.J. Numann
- W.A.M. van Schendel
- W.D.H. Asser
- Rechtspraak.nl
Uitleg en nakoming beëindigingsovereenkomst bij reorganisatie tussen bank en medewerker
In deze zaak staat een geschil centraal tussen een bank en een medewerker over de uitbetaling van een beëindigingsvergoeding na beëindiging van het dienstverband in het kader van een reorganisatie. De medewerker kreeg in de beëindigingsovereenkomst een hoger bedrag toegekend dan volgens de CAO-adviescommissie toekwam op grond van een maximeringsregeling in het Deelakkoord Zonder Omwegen.
De bank stelde dat het hogere bedrag per vergissing was opgenomen en dat de medewerker slechts recht had op het lagere, volgens de CAO-commissie vastgestelde bedrag. De medewerker vorderde betaling van het volledige bedrag uit de overeenkomst. Zowel de kantonrechter als het hof wezen de bank af en oordeelden dat het geschil betrekking had op de nakoming van de beëindigingsovereenkomst en niet op de toepassing van het Deelakkoord.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en overwoog dat de medewerker in redelijkheid mocht vertrouwen op het overeengekomen bedrag, ook al week dit af van de maximeringsregeling. Het beroep van de bank werd verworpen en zij werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt dat de bank gehouden is het in de beëindigingsovereenkomst overeengekomen bedrag te betalen.