ECLI:NL:HR:2006:AX7454
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- W.M.E. Thomassen
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en verwijzing wegens onjuiste toepassing art. 38e SrA bij profijtontneming Antilliaanse zaak
In deze cassatieprocedure staat de uitleg van artikel 38e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht van Aruba centraal, betreffende de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Betrokkene was onherroepelijk veroordeeld voor medeplegen van invoer en/of uitvoer van heroïne en/of cocaïne. Het Hof had echter de betalingsverplichting gebaseerd op voordeel uit het witwassen van gelden uit de handel in verdovende middelen, wat volgens de Hoge Raad niet als 'soortgelijke feiten' in de zin van art. 38e SrA kan worden beschouwd.
De Hoge Raad oordeelt dat onder 'soortgelijke feiten' feiten moeten worden verstaan die tot dezelfde categorie behoren als het bewezenverklaarde strafbare feit, gelet op het beschermde belang van de wetgever. Witwassen valt hier niet onder. Daarom is het oordeel van het Hof onjuist en wordt de uitspraak vernietigd.
De zaak wordt verwezen naar het Gemeenschappelijk Hof van de Nederlandse Antillen en Aruba voor hernieuwde berechting en afdoening, waarbij ook kan worden onderzocht of andere feiten die op geld waardeerbaar voordeel opleveren, voldoende aanwijzingen opleveren dat betrokkene deze heeft begaan. Tevens is vastgesteld dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden, wat bij oplegging van een betalingsverplichting in de hernieuwde procedure moet worden betrokken.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling vanwege onjuiste toepassing van art. 38e SrA.