ECLI:NL:HR:2006:AX6579

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C05/086HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:681 BWArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag voormalig bestuurder

In deze zaak stond een arbeidsgeschil centraal tussen een assurantiebemiddelingsbedrijf en een voormalig bestuurder/statutair directeur. De eiser tot cassatie, voormalig bestuurder, had gesteld dat zijn ontslag kennelijk onredelijk was en vorderde een schadeloosstelling van ƒ 975.000,--, althans een door de rechtbank vast te stellen schadevergoeding.

De rechtbank wees het meer of anders gevorderde af en kende slechts een beperkte bruto vergoeding toe. Zowel de eiser als de verweerder stelden hoger beroep in. Het gerechtshof vernietigde het vonnis van de rechtbank en wees de vordering van de eiser af. Hiertegen stelde de eiser beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten in het cassatiemiddel niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was omdat er geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Het beroep werd verworpen en de eiser werd veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof bevestigd.

Uitspraak

23 juni 2006
Eerste Kamer
Nr. C05/086HR
RM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. R.A.A. Duk,
t e g e n
ELAN FINANCIEEL ADVIESBUREAU B.V.,
gevestigd te Leeuwarden,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 19 april 2001 verweerder in cassatie - verder te noemen: Elan - gedagvaard voor de rechtbank te Leeuwarden. Na wijziging van eis heeft [eiser] gevorderd:
i. voor recht te verklaren dat het door Elan aan [eiser] verleende ontslag kennelijk onredelijk is;
ii. Elan te veroordelen aan [eiser] een bedrag te betalen van ƒ 975.000,--, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, bij wege van schadevergoeding als bedoeld in art. 7:681 BW Pro, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 19 april 2001 tot aan de dag der algehele voldoening.
Elan heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 16 april 2003 Elan veroordeeld aan [eiser] te betalen € 22.689,01 bruto, vermeerderd met wettelijke rente over dat bedrag vanaf 19 april 2001. Het meer of anders gevorderde heeft de rechtbank afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden. Elan heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij arrest van 24 november 2004 heeft het hof, in het principaal en het incidenteel appel, het bestreden vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [eiser] afgewezen.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Elan heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 5 april 2006 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Elan begroot op € 5.802,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, W.A.M. van Schendel en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 23 juni 2006.