ECLI:NL:HR:2006:AX6377

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
41968
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • P. Lourens
  • E.N. Punt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:9 AwbArt. 8:73 AwbArt. 35 Invorderingswet 1990Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Belang bij cassatieberoep na terugwijzing zaak door hof naar ontvanger

Belanghebbende werd door de ontvanger aansprakelijk gesteld voor een deel van de door een vennootschap verschuldigde loon- en omzetbelasting over 1998 en 1999. Na bezwaar handhaafde de ontvanger zijn beschikking, waarna belanghebbende in beroep ging bij het hof. Het hof verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en wees de zaak terug naar de ontvanger voor een nieuwe beslissing.

Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat de wijze waarop de ontvanger informatie had verkregen niet in strijd was met de eisen van behoorlijk bestuur, en dat de informatie in de procedure mocht worden gebruikt. De motiveringsklachten van belanghebbende konden geen cassatiegrond opleveren.

Ook de klacht over de proceskostenveroordeling werd verworpen, omdat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven en waarderingen van feitelijke aard niet in cassatie kunnen worden getoetst. De Hoge Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de zaak wordt terugverwezen naar de ontvanger.

Uitspraak

Nr. 41.968
2 juni 2006
RW
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 februari 2005, nr. P03/04060, betreffende na te melden aansprakelijkstelling ingevolge de Invorderingswet 1990.
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Bij beschikking van 25 april 2003 heeft de Ontvanger belanghebbende aansprakelijk gesteld voor een deel ad € 12.097 van door B Inc. verschuldigde loonbelasting en omzetbelasting over de jaren 1998 en 1999, welke beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Ontvanger is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de Ontvanger opgedragen opnieuw uitspraak op het bezwaar te doen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Het Hof heeft, belanghebbende op dit punt in het ongelijk stellend, geoordeeld dat de informatie welke de Ontvanger heeft ingewonnen bij H, voor deze procedure niet buiten beschouwing behoeft te blijven. Nu door dit oordeel er voor de Ontvanger geen beletsel is die informatie een rol te laten spelen in het kader van de door hem te nemen nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van belanghebbende, heeft belanghebbende belang bij het in cassatie bestrijden van voormeld oordeel.
3.2. Het Hof heeft zijn oordeel doen steunen op de overwegingen dat de wijze waarop de Ontvanger informatie van H heeft verkregen, niet in strijd is met hetgeen van een behoorlijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht, en dat de Ontvanger, door de wijze van informatievergaring bij H, zijn mogelijkheid om zonder een beroep te hoeven doen op een wettelijke bevoegdheid de beschikking te krijgen over de gevraagde informatie, niet te buiten is gegaan.
De hiertegen gerichte motiveringsklachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.3. De klacht dat het Hof ten onrechte geen bijzondere omstandigheden aanwezig heeft geacht die rechtvaardigen om met betrekking tot de proceskostenveroordeling af te wijken van de normering van het Besluit proceskosten bestuursrecht, kan evenmin tot cassatie leiden. 's Hofs oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het behoefde ook geen nadere motivering.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2006.