ECLI:NL:HR:2006:AW4589
Hoge Raad
- Herziening
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek in poging tot verkrachting
De zaak betreft een verzoek tot herziening van een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam waarin de aanvrager was veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf wegens poging tot verkrachting. De Hoge Raad beoordeelde of het verzoek voldeed aan de wettelijke vereisten voor herziening, zoals opgenomen in artikel 457 en Pro 459 van het Wetboek van Strafvordering.
De aanvrage moest nieuwe, bij het oorspronkelijke onderzoek niet bekende omstandigheden bevatten die het ernstig vermoeden wekken dat, indien deze bekend waren geweest, het onderzoek tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkheid of toepassing van een lichtere strafbepaling zou hebben geleid. De Hoge Raad concludeerde dat de aanvrage geen dergelijke omstandigheden bevatte en derhalve niet-ontvankelijk was.
Het arrest werd gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en uitgesproken op 18 april 2006. Hiermee werd het verzoek tot herziening afgewezen zonder inhoudelijke behandeling van de zaak.
Uitkomst: Het herzieningsverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van nieuwe omstandigheden die tot vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging zouden leiden.