ECLI:NL:HR:2006:AW4589

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 april 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00310/06 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • F.H. Koster
  • B.C. de Savornin Lohman
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 459 SvArt. 460 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek in poging tot verkrachting

De zaak betreft een verzoek tot herziening van een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam waarin de aanvrager was veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf wegens poging tot verkrachting. De Hoge Raad beoordeelde of het verzoek voldeed aan de wettelijke vereisten voor herziening, zoals opgenomen in artikel 457 en Pro 459 van het Wetboek van Strafvordering.

De aanvrage moest nieuwe, bij het oorspronkelijke onderzoek niet bekende omstandigheden bevatten die het ernstig vermoeden wekken dat, indien deze bekend waren geweest, het onderzoek tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkheid of toepassing van een lichtere strafbepaling zou hebben geleid. De Hoge Raad concludeerde dat de aanvrage geen dergelijke omstandigheden bevatte en derhalve niet-ontvankelijk was.

Het arrest werd gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en uitgesproken op 18 april 2006. Hiermee werd het verzoek tot herziening afgewezen zonder inhoudelijke behandeling van de zaak.

Uitkomst: Het herzieningsverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van nieuwe omstandigheden die tot vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging zouden leiden.

Uitspraak

18 april 2006
Strafkamer
nr. 00310/06 H
AM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 20 december 2001, nummer 23/000977-01, ingediend door
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Alkmaar van 20 maart 2001, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de aanvrager ter zake van 1 primair "poging tot verkrachting" veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. Art. 459 Sv Pro schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.
3.3. Het in de aanvrage gestelde behelst niets wat kan worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.1 vermeld. De aanvrage kan daarom, gelet op de art. 459 en Pro 460 Sv, niet worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 18 april 2006.