ECLI:NL:HR:2006:AW2522
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- J. de Hullu
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt veronderstelling vrijwillige afstand van aanwezigheidsrecht bij verstek en vermindert gevangenisstraf
In deze strafzaak heeft de Hoge Raad het arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 27 augustus 2004 deels vernietigd. De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken, maar het hof veroordeelde hem in hoger beroep tot drie jaar gevangenisstraf wegens verkrachting. De verdachte was bij de zittingen niet verschenen, hoewel de dagvaardingen op wettige wijze aan zijn GBA-adres waren betekend.
De Hoge Raad bevestigt dat bij verstek en correcte betekening mag worden uitgegaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, tenzij er duidelijke aanwijzingen zijn voor het tegendeel. Dit geldt ook als het hoger beroep door het Openbaar Ministerie is ingesteld en de verdachte daarvan op de hoogte is gesteld.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden, wat leidt tot strafvermindering. De gevangenisstraf wordt verminderd tot twee jaar en negen maanden. Klachten over het bevel tot gevangenneming worden verworpen wegens gebrek aan redelijk belang. De zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting met inachtneming van het arrest.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot twee jaar en negen maanden en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.