ECLI:NL:HR:2006:AV9439

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C05/102HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid bank voor vermogensschade bij putopties

De zaak betreft een geschil tussen een klant en een bank over de aansprakelijkheid van de bank als beleggingsadviseur voor vermogensschade die de klant heeft geleden bij door de bank bemiddelde transacties in putopties.

De klant vorderde een schadevergoeding van ruim € 67.000,- plus rente en incassokosten, maar de rechtbank wees deze vordering af. In hoger beroep vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank en veroordeelde de bank tot betaling van een bedrag van € 16.858,94 met rente, waarbij de proceskosten tussen partijen werden gecompenseerd.

De klant stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen beide arresten van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en verwierp het beroep zonder nadere motivering, mede omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.

De Hoge Raad veroordeelde de klant in de kosten van het geding in cassatie, begroot aan de zijde van de bank op € 2.101,34 aan verschotten en € 2.200,- voor salaris. Hiermee bleef het arrest van het hof in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de klant wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.

Uitspraak

23 juni 2006
Eerste Kamer
Nr. C05/102HR
JMH/RM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt,
t e g e n
ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. F.E. Vermeulen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 2 mei 2000 en bij herstelexploot van 3 mei 2000 verweerster in cassatie - verder te noemen: de Bank - gedagvaard voor de rechtbank te Amsterdam en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Bank te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 149.052,-- (€ 67.636,85), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 oktober 1998 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede in de buitengerechtelijke incassokosten conform het tarief van NOVA ten bedrage van ƒ 9.007,28 (€ 4.087,33) exclusief BTW met veroordeling van de Bank in de kosten van deze procedure.
De Bank heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 21 november 2001 het gevorderde afgewezen, [eiser] in de proceskosten veroordeeld, en deze betalingsveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Tegen het vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij tussenarrest van 7 augustus 2003 heeft het hof de zaak naar de rol verwezen voor uitlating door [eiser] over de gevorderde schade en bij eindarrest van 9 december 2004 het vonnis waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de Bank veroordeeld om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [eiser] te betalen een geldsom van € 16.858,94, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 oktober 1998 tot aan de dag van voldoening, de proceskosten in beide instanties tussen partijen gecompenseerd, dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Beide arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen beide arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Bank heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Bank begroot op € 2.101,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, P.C. Kop, E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 23 juni 2006.