ECLI:NL:HR:2006:AV7250
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij medeplegen diefstal en deelneming criminele organisatie
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte is veroordeeld voor medeplegen van diefstal door braak en inklimming bij diverse bedrijven en deelneming aan een criminele organisatie. Het hof had de verdachte veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf en had daarnaast vorderingen van benadeelde partijen toegewezen.
In cassatie werd onder meer betoogd dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden. De Hoge Raad stelde vast dat het beroep in cassatie op 14 juli 2004 was ingesteld en de stukken pas op 25 juli 2005 waren ontvangen, waardoor de redelijke termijn was overschreden.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf en verminderde deze tot 13 maanden en 3 weken. De overige middelen werden verworpen omdat zij geen aanleiding gaven tot cassatie. De vorderingen van de benadeelden en de overige veroordelingen bleven in stand.
Het arrest werd gewezen door de vice-president Koster als voorzitter en raadsheren Corstens en Thomassen, waarbij Corstens buiten staat was het arrest te ondertekenen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot 13 maanden en 3 weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.