ECLI:NL:HR:2006:AV7065

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03604/05 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 459 SvArt. 460 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek in strafzaak doodslag

De zaak betreft een verzoek tot herziening van een vonnis van de Rechtbank Amsterdam uit 1992, waarbij de aanvrager niet strafbaar werd verklaard voor doodslag, ontslagen werd van rechtsvervolging en werd geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis.

De Hoge Raad beoordeelde of het verzoek tot herziening voldeed aan de wettelijke vereisten, waaronder het aanvoeren van nieuwe, bij het oorspronkelijke onderzoek onbekende omstandigheden die het ernstig vermoeden wekken dat het onderzoek tot vrijspraak of niet-ontvankelijkverklaring zou hebben geleid.

De aanvrage bevatte geen dergelijke omstandigheden en voldeed niet aan de eisen van art. 459 en Pro 460 Sv, waardoor de Hoge Raad het verzoek niet-ontvankelijk verklaarde.

Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken op 14 maart 2006.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van nieuwe omstandigheden.

Uitspraak

14 maart 2006
Strafkamer
nr. 03604/05 H
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank te Amsterdam, van 20 november 1992, met onder meer parket-nummer 13/029.012.2, ingediend door:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Rechtbank heeft de aanvrager in de zaak met opgemeld parketnummer ter zake van "doodslag" niet strafbaar verklaard en ontslagen van alle rechtsvervolging en gelast dat hij in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst voor een termijn van een jaar en gelast dat hij ter beschikking al worden gesteld en bevolen dat bij van overheidswege zal worden verpleegd.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voorzover in dit geval van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.
3.2. Art. 459 Sv Pro schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.
3.3. Het in de aanvrage gestelde behelst niets wat kan worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.1 vermeld. De aanvrage kan daarom, gelet op de art. 459 en Pro 460 Sv, niet worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 14 maart 2006.