ECLI:NL:HR:2006:AV6967

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 juni 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C05/062HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige overheidsdaad en schadevergoeding na vrijspraak ex-verdachte

De zaak betreft een geschil tussen een ex-verdachte en zijn dochter enerzijds en de Staat anderzijds over de vergoeding van schade geleden door de strafvervolging en de toepassing van strafvorderlijke dwangmiddelen. De eisers vorderden een aanzienlijke schadevergoeding wegens onrechtmatige overheidsdaad na vrijspraak van de ex-verdachte.

De rechtbank wees de vordering van de ex-verdachte af en kende een beperkte vergoeding toe aan zijn dochter. In hoger beroep wijzigden eisers hun eis en vorderden zij een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig had gehandeld door de strafvervolging en toepassing van dwangmiddelen, en een volledige schadevergoeding. Het hof vernietigde het vonnis en veroordeelde de Staat tot een beperkte schadevergoeding aan de dochter, met verrekening van reeds ontvangen bedragen.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van eisers, oordeelt dat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden en bevestigt daarmee het arrest van het hof. De eisers worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de eisers worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Uitspraak

16 juni 2006
Eerste Kamer
Nr. C05/062HR
JMH/RM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiser 1],
2. [Eiseres 2],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. K.A. Weski,
t e g e n
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie),
gevestigd te 's-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. D. Stoutjesdijk.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser 1] en zijn dochter - hebben bij exploot van 13 juli 1999 verweerder in cassatie - verder te noemen: de Staat - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en na vermindering van eis bij conclusie van repliek gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Staat te veroordelen tot:
1. betaling aan [eiser 1] tegen bewijs van kwijting een bedrag van ƒ 1.975.055,30, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 2 augustus 1998 tot aan die der algehele voldoening, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;
2. betaling aan de dochter tegen bewijs van kwijting een bedrag van ƒ 9.760,--, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 2 augustus 1998 tot aan die der algehele voldoening, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren,
vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van ƒ 7.000,-- en met veroordeling van de Staat in de kosten van het geding.
De Staat heeft de vorderingen bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 11 juli 2001 de vordering van [eiser 1] afgewezen en de vordering van de dochter toegewezen tot een bedrag van ƒ 3.000,--, te vermeerderen met wettelijke rente.
Tegen het vonnis hebben [eiser 1] en de dochter hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Daarbij hebben zij hun eis gewijzigd en gevorderd:
1. voor recht te verklaren dat de Staat onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door in 1994 een strafrechtelijke vervolging tegen [eiser 1] in te stellen en door jegens [eiser 1] en de dochter strafrechtelijke dwangmiddelen (huiszoeking en inbeslagneming) toe te passen;
2. de Staat te veroordelen tot vergoeding van de door hen geleden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met wettelijke rente.
De Staat heeft incidenteel hoger beroep ingesteld, voor zover daarbij de vordering van de dochter gedeeltelijk is toegewezen.
Bij arrest van 11 november 2004 heeft het hof in het principaal en in het incidenteel appel het bestreden vonnis, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de Staat veroordeeld om aan de dochter een schadevergoeding van € 750,-- te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente, de dochter veroordeeld aan de Staat € 1.361,34 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, en voor het overige de vorderingen afgewezen met veroordeling van [eiser 1] en de dochter in de proceskosten.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [eiser 1] en de dochter beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het herstelexploot zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser 1] en de dochter in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 362,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, W.A.M. van Schendel en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 16 juni 2006.