Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2006:AV5028

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
41558
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt vernietiging naheffingsaanslag wegens ontbreken tijdvak

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag opgelegd voor accijns op overige alcoholhoudende producten, inclusief een verhoging van honderd procent. De Inspecteur verklaarde het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag niet-ontvankelijk. Na eerdere procedures werd de zaak door het Gerechtshof Arnhem behandeld, dat de naheffingsaanslag vernietigde omdat deze geen tijdvak van naheffing vermeldde.

De Staatssecretaris van Financiën stelde hiertegen beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. Het Hof had geoordeeld dat de vermelding van het tijdvak een wezenlijk onderdeel van de aanslag is en dat belasting over feiten buiten dat tijdvak niet in de naheffingsaanslag mag worden begrepen, tenzij sprake is van een duidelijke, voor de belastingplichtige kenbare vergissing.

De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof dat geen sprake was van een dergelijke uitzondering en dat het tijdvak essentieel is. Het ontbreken hiervan maakt de naheffingsaanslag ongeldig. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de vernietiging van de naheffingsaanslag wegens ontbreken van een tijdvak.

Uitspraak

Nr. 41.558
17 maart 2006
LB
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 10 november 2004, nr. 03/00419, betreffende na te melden aan v.o.f. X te Z opgelegde naheffingsaanslag in de accijns van overige alcoholhoudende producten.
1. Naheffingsaanslag en bezwaar
Aan belanghebbende is met dagtekening 16 november 1998 een naheffingsaanslag in de accijns van overige alcoholhoudende produkten opgelegd ten bedrage van ƒ 34.027 aan accijns, met een verhoging van honderd percent, van welke verhoging de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag geen kwijtschelding heeft verleend. Het door belanghebbende tegen de naheffingsaanslag en de beschikking inzake de verhoging gemaakte bezwaar heeft de Inspecteur niet-ontvankelijk verklaard.
2. Loop van het geding tot dusverre
Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Leeuwarden. De uitspraak van dit hof van 7 december 2001 is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 28 februari 2003, nr. 37900, BNB 2003/157, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te Arnhem (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur alsmede de naheffingsaanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
3. Het tweede geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
4. Beoordeling van het middel
4.1.1. Het Hof heeft geconstateerd dat de onderhavige naheffingsaanslag in het geheel geen tijdvak van naheffing vermeldt.
4.1.2. Het Hof heeft voorop gesteld dat de vermelding van het tijdvak van naheffing op het aanslagbiljet hiervan een zo wezenlijk onderdeel uitmaakt, dat niet kan worden toegestaan dat belasting, verschuldigd wegens feiten gelegen buiten dat tijdvak, in de naheffingsaanslag worden begrepen. Dit is slechts anders indien de op het aanslagbiljet voorkomende vermelding van het tijdvak van naheffing op een duidelijke, ook voor de belastingplichtige kenbare, vergissing berust (vgl. Hoge Raad 20 december 1978, nr. 18960, BNB 1979/111 en HR 6 oktober 1993, nr. 28752, BNB 1995/99). Het Hof heeft geoordeeld dat geen sprake is van een situatie die op één lijn zou zijn te stellen met de uitzondering waarop de hiervoor aangehaalde arresten het oog hebben. Hierop heeft het Hof de onderhavige naheffingsaanslag vernietigd.
4.2. Het middel bestrijdt onder meer de gevolgen die het Hof verbindt aan het niet vermelden van een tijdvak op de naheffingsaanslag.
4.3. Met zijn oordeel dat geen sprake is van een situatie die op één lijn zou zijn te stellen met de uitzondering waarop de hiervoor onder 4.1.2 aangehaalde arresten het oog hebben, heeft het Hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat evenmin op andere wijze onmiskenbaar direct of indirect uit het aanslagbiljet is af te leiden wanneer en in welke vorm zich belastbare feiten hebben voorgedaan die tot het verschuldigd worden van de nageheven accijns hebben geleid. Dat oordeel kan, als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Uitgaande van dat oordeel heeft het Hof met juistheid geoordeeld dat de naheffingsaanslag een essentieel element ontbeert en mitsdien niet in stand kon worden gelaten. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.
5. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2006.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 422.