ECLI:NL:HR:2006:AV1579

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 april 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R05/096HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling kinderalimentatie en draagkracht vader in geschil tussen ouders

De zaak betreft een geschil tussen de vader en moeder van een minderjarig kind over de hoogte van de kinderalimentatie en de draagkracht van de vader. De moeder verzocht de rechtbank om vaststelling van de bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind, met ingang van verschillende data.

De rechtbank bepaalde bij beschikking dat de vader vanaf 1 mei 2004 een bedrag van €400 per maand moest betalen, verhoogd met eventuele uitkeringen ten behoeve van het kind. De vader stelde hoger beroep in tegen deze beschikking. Het gerechtshof vernietigde de beschikking van de rechtbank en stelde de bijdrage vast op €63 per maand vanaf dezelfde datum.

De moeder stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het oordeel van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en wees het beroep af. De beslissing werd genomen door de raadsheren Aaftink, Kop en Van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door Bakels op 21 april 2006.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de verlaging van de kinderalimentatie door het hof.

Uitspraak

21 april 2006
Eerste Kamer
Rek.nr. R05/096HR
JMH/RM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De moeder],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[De vader],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. K. Teuben.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 14 mei 2004 ter griffie van de rechtbank te Amsterdam ingediend verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de moeder - zich gewend tot die rechtbank en primair met ingang van 1 december 2003, subsidiair met ingang van 14 mei 2004 en meer subsidiair met ingang van een datum die de rechtbank redelijk acht, vaststelling van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van haar, door verweerder in cassatie - verder te noemen: de vader erkende minderjarige kind [de zoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000, verzocht.
De vader is in eerste aanleg niet verschenen.
De rechtbank heeft bij beschikking van 18 augustus 2004 bepaald dat de vader met ingang van 1 mei 2004 € 400,-- per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige, te verhogen met het bedrag van iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van die minderjarige kan of zal worden verleend, deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders verzochte afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de vader hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij beschikking van 21 april 2005 heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding door de vader met ingang van 1 mei 2004 bepaald op € 63,-- per maand.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vader heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, P.C. Kop en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 21 april 2006.