ECLI:NL:HR:2006:AU9516
Hoge Raad
- Cassatie
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over ontvankelijkheid beroepschrift inkomstenbelasting 2000
Belanghebbende kreeg voor het jaar 2000 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, die na bezwaar door de Inspecteur werd verminderd. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat het beroep niet-ontvankelijk verklaarde wegens overschrijding van de beroepstermijn. Belanghebbende stelde verzet in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring, en het Hof verklaarde het verzet gegrond.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof onvoldoende gemotiveerd heeft vastgesteld dat het beroepschrift tijdig per post is verzonden. De enige verklaring van belanghebbende was onvoldoende concreet en de stukken tonen dat het beroepschrift pas op 16 januari 2003 bij het Hof is ontvangen, terwijl de termijn eindigde op 24 december 2002.
Omdat het Hof niet heeft vastgesteld dat het beroepschrift uiterlijk een week na afloop van de termijn is ontvangen, zoals vereist is volgens artikel 6:9 lid 2 Awb Pro, is het oordeel van het Hof onbegrijpelijk en kan de uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het Hof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling.
De Hoge Raad acht geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en spreekt het arrest uit in aanwezigheid van de raadsheren en griffier.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling van het verzet.