ECLI:NL:HR:2006:AU8941
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- W.A.M. van Schendel
- F.B. Bakels
- W.D.H. Asser
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Ontkenning gerechtelijke verrichtingen procureur en de status van conclusie van eis
In deze zaak stond centraal de vraag of de ontkenning van gerechtelijke verrichtingen van een procureur, zoals bedoeld in art. 263 oud Pro Rv, ook betrekking heeft op het nemen van een conclusie van eis. Eiseres had een procedure aangespannen tegen verweerder 2 en werd vertegenwoordigd door een advocaat die zich later terugtrok. Vervolgens trad een procureur namens verweerder 1 op en diende een conclusie van eis in, ondanks dat eiseres expliciet had verzocht deze niet te nemen.
Eiseres stelde bij incidentele conclusie dat de conclusie van eis nietig moest worden verklaard en dat de ontkenning van de verrichting van de procureur deugdelijk was. De rechtbank wees deze vordering af en het hof bekrachtigde dit oordeel. Eiseres stelde daarop cassatieberoep in tegen het arrest van het hof.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten in het cassatieberoep niet tot cassatie konden leiden en dat het nemen van een conclusie van eis niet valt onder het bepaalde van art. 263 oud Pro Rv betreffende ontkenning van gerechtelijke verrichtingen van een procureur. Het beroep werd verworpen en eiseres werd in de kosten van het geding in cassatie veroordeeld.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiseres wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.