Eiseres tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - heeft bij exploot van 28 september 2000 verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - onder versneld regime gedagvaard voor de rechtbank te Arnhem en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de wijze van verdeling te bepalen dan wel de verdeling zelf vast te stellen van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] met dien verstande dat deze aan de vrouw wordt toegedeeld tegen de taxatiewaarde van ƒ 790.000,-- dan wel tegen een door de rechtbank vast te stellen prijs op basis van een in opdracht van de rechtbank uit te brengen deskundigenbericht, met dien verstande dat de vrouw alsdan aan de man verschuldigd wordt zijn inbreng van ƒ 90.000,-- alsmede een gedeelte groot 90:390 dan wel 107:445 van de overwaarde van ƒ 336.000,--, met dien verstande dat dit bedrag eerst zal behoeven te worden betaald zodra de vrouw de beschikking heeft gekregen over haar privé-vermogen alsmede haar aandeel in de gemeenschap van vruchten en inkomsten dan wel een aanmerkelijk voorschot daarop, subsidiair te bepalen dat de woning zal moeten worden verkocht en de opbrengst daarvan zal worden verrekend in overeenstemming met hier hiervoor gestelde, kosten rechtens.
De man heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 7 juni 2001 de gemeenschap tussen de partijen, bestaande uit voormelde onroerende zaak, zo verdeeld dat deze onroerende zaak wordt toebedeeld aan de man en dat de man terzake aan de vrouw verschuldigd is een bedrag van ƒ 603.811, welk bedrag door hem aan de vrouw dient te worden betaald uiterlijk bij het passeren van de notariële akte ter zake van de overdracht, dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, de proceskosten tussen partijen gecompenseerd en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen het vonnis heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem, en, kort gezegd, gevorderd voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de gemeenschap tussen partijen, bestaande uit voormelde onroerende zaak, zo te verdelen dat deze onroerende zaak aan de vrouw wordt toegedeeld en dat de vrouw terzake aan de man verschuldigd is een bedrag van ƒ 178.045,--, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag.
De vrouw heeft het beroep bestreden en van haar kant geconcludeerd voormeld vonnis slechts te vernietigen voor zover dit betreft de waarde van de voormalige echtelijke woning, de toedeling aan de man en de verdeling van de overdrachtskosten met dien verstande dat de waarde van het pand alsnog dient te luiden ƒ 890.000,--, dat de toedeling van de onroerende zaak geschiedt aan de vrouw in plaats van aan de man en dat de kosten van de overdracht voor 2/3 gedeelte voor rekening van de vrouw en 1/3 voor rekening van de man, en voorts de man te veroordelen aan de vrouw terug te betalen ƒ 40.242,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2001 tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van de man in de kosten van de procedure.
Bij arrest van 24 februari 2004 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd behalve ten aanzien van de kosten en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de vrouw veroordeeld om aan de man ter zake van de toescheiding aan de vrouw van voormelde woning te betalen € 34.033,51, te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande veertien dagen na 24 februari 2004, dit arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaard, de proceskosten van het hoger beroep tussen partijen gecompenseerd, en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.