ECLI:NL:HR:2006:AU8176
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- P.C. Kop
- J.C. van Oven
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling aansprakelijkheid bij niet-vloeistofdichte betonvloer ondanks mogelijke fouten opdrachtgever
In deze zaak gaat het om een geschil tussen [eiseres], die een betonvloer aanlegde, en Ballast Nedam, opdrachtgever. De betonvloer vertoonde krimpscheuren en bleek niet vloeistofdicht te zijn, wat in strijd was met de overeenkomst en de beoordelingsrichtlijn BRL 2370 van 1997. [Eiseres] had een eindfactuur gestuurd die Ballast Nedam opschortte vanwege deze gebreken.
De rechtbank wees de vordering van [eiseres] af en veroordeelde haar in reconventie tot het alsnog aanleggen van een vloeistofdichte vloer met een dwangsom. Het hof bekrachtigde dit oordeel en wees de vordering van [eiseres] af, stellende dat de niet-vloeistofdichte vloer een tekortkoming was die voor rekening van [eiseres] kwam.
[Eiseres] stelde in cassatie dat het hof onjuist had geoordeeld door te veronderstellen dat zij toerekenbaar tekortgeschoten was, ook indien fouten van Ballast Nedam de oorzaak waren van het niet bereiken van het resultaat. De Hoge Raad gaf haar gelijk, vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak terug voor verdere behandeling en beslissing. Tevens veroordeelde de Hoge Raad Ballast Nedam in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest hof en verwijst zaak terug vanwege onjuiste rechtsopvatting over toerekenbaarheid tekortkoming.