ECLI:NL:HR:2006:AU8064
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- B.C. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid onderzoek kleding verdachte bij wapenvondst in auto
Op 2 juli 2003 werd verdachte aangehouden na informatie van de Regionale Criminele Inlichtingen Eenheid (RCIE) dat verdachte als bodyguard gewapend was en gebruik maakte van een BMW waarin wapens verborgen lagen. Bij doorzoeking van deze auto werden vuurwapens en munitie aangetroffen. Verdachte werd vervolgens aangehouden en zijn woning en auto doorzocht, waarbij eveneens wapens werden gevonden.
Het hof veroordeelde verdachte voor het voorhanden hebben van vuurwapens en oordeelde dat de aanhouding, fouillering en doorzoekingen rechtmatig waren, mede op basis van ernstige bezwaren zoals bedoeld in het oude art. 52 WWM Pro. Verdachte stelde cassatieberoep in tegen de rechtmatigheid van het onderzoek aan zijn kleding.
De Hoge Raad stelde vast dat het nieuwe art. 52 WWM Pro van toepassing was op het politieoptreden, waarbij een lichtere maatstaf geldt: onderzoek aan kleding is toegestaan indien daartoe redelijkerwijs aanleiding bestaat. Hoewel het hof nog de oude maatstaf hanteerde, was het oordeel dat het onderzoek ook aan de nieuwe maatstaf voldeed niet onbegrijpelijk. Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling gehandhaafd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling en oordeelt dat het onderzoek aan de kleding rechtmatig was.