17 januari 2006
Strafkamer
nr. 00867/05
AGJ/AM
Hoge Raad der Nederlanden
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 27 november 2003, nummer 24/000701-03, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Leeuwarden van 20 mei 2003 - voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding onder sub 2 primair, sub 4 primair, subsidiair en meer subsidiair, sub 6B, sub 7 primair, sub 8 en sub 9 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 2 subsidiair "medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd", 3. "afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen", en 7 subsidiair "medeplegen van door beloften en het verschaffen van inlichtingen opzettelijk uitlokken van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is" en ''medeplegen van door beloften en het verschaffen van inlichtingen opzettelijk uitlokken van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is" veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf afgewezen en de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
3.2. De verdachte, die zich in voorlopige hechtenis bevindt, heeft op 28 november 2003 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 31 maart 2005 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 16 augustus 2005 voor de eerste maal behandeld, hetgeen ertoe leidt dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan zestien zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.
3.3. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Het middel is dus terecht voorgesteld. Dit moet leiden tot strafvermindering.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1. Het middel klaagt dat het Hof het verweer dat de Officier van Justitie wegens het verzuim een appèlmemorie in te dienen niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep, heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
4.2. Het Hof heeft blijkens het arrest het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"De raadsman heeft aangevoerd, dat het hof te Amsterdam in de gevallen waarin de officier van justitie hoger beroep heeft ingesteld en geen appèlmemorie heeft ingediend, de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaart in zijn hoger beroep, dat genoemd hof zulks inmiddels in drie zaken heeft beslist en dat in verband daarmee in de onderhavige zaak de officier van justitie eveneens niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep, aangezien hij geen appèlmemorie heeft ingediend.
Nu het eerste lid van artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering de bevoegdheid en niet de plicht geeft om een appèlschriftuur in te dienen, leidt het niet indienen van een dergelijk schriftuur naar het oordeel van het hof niet tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Derhalve acht het hof de officier van justitie ontvankelijk in zijn hoger beroep."
4.3. Het hier toepasselijke art. 410 (oud) Sv luidt:
"1. Binnen veertien dagen na de instelling van het hoger beroep kan de partij die in hoger beroep gekomen is op de griffie van het gerecht, dat het vonnis heeft gewezen, een schriftuur, houdende haar grieven, indienen.
2. De schriftuur wordt onverwijld bij de processtukken gevoegd."
4.4. Het oordeel van het Hof, dat art. 410, eerste lid, (oud) Sv de bevoegdheid en niet de plicht inhoudt om een appèlschriftuur in te dienen is juist. Het Hof heeft het verweer derhalve terecht verworpen.
5. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
Vermindert deze in die zin dat deze 27 maanden beloopt;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 17 januari 2006.