ECLI:NL:HR:2006:AU5709

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R05/120HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 354 FaillissementswetArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep voortzetting schuldsaneringsregeling wegens ontbreken gronden

Verzoeker werd bij vonnis van de rechtbank Utrecht definitief onder de schuldsaneringsregeling geplaatst. Na verificatie en behandeling van de zaak besloot de rechtbank de schuldsaneringsregeling voort te zetten en stelde een saneringsplan vast. Tevens werd vastgesteld dat verzoeker toerekenbaar tekort was geschoten in de nakoming van verplichtingen uit de regeling, waardoor geen toepassing werd gegeven aan artikel 354 lid 2 van Pro de Faillissementswet.

Verzoeker stelde hoger beroep in bij het gerechtshof Amsterdam tegen dit vonnis. Na behandeling verklaarde het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van gronden van beroep. Hiertegen stelde verzoeker beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die relevant zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep werd derhalve verworpen en het arrest van het hof bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep van verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden van beroep.

Uitspraak

10 februari 2006
Eerste Kamer
Rek.nr. R05/120HR
RM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. A. Ramsoedh.
1. Het geding in feitelijke instanties
Ten aanzien van verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - is bij vonnis van de rechtbank te Utrecht van 7 mei 2002 de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.
Nadat de rechtbank de verificatievergadering had gehouden en op 19 april en 17 mei 2005 de zaak had behandeld, heeft zij bij vonnis van 24 mei 2005 bepaald dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt voortgezet en een saneringsplan vastgesteld. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat [verzoeker] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, en dat geen toepassing wordt gegeven aan art. 354 lid Pro 2 F.
Tegen dit vonnis heeft [verzoeker] bij verzoekschrift van 31 mei 2005 hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. [Verzoeker] heeft op 17 augustus 2005 een nader beroepschrift ingediend.
Na behandeling van de zaak op 26 augustus 2005, heeft het hof bij arrest van 2 september 2005 [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, W.A.M. van Schendel en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 10 februari 2006.