ECLI:NL:HR:2005:AU8543
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt navorderingsaanslag inkomstenbelasting wegens onjuiste toepassing artikel 24 lid 4 Wet IB 1964
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1998 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd met een belastbaar inkomen van ƒ 243.899. Daarna volgde een navorderingsaanslag met een belastbaar inkomen van ƒ 482.764, die na bezwaar werd gehandhaafd door de Inspecteur. Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en verminderde de navorderingsaanslag tot een belastbaar inkomen van ƒ 428.254.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte op grond van artikel 24, lid 4, Wet IB 1964 een bedrag van ƒ 205.530 als inkomsten uit vermogen had aangemerkt. De wetgever heeft namelijk bewust geen regeling opgenomen voor uitgestelde rentebetalingen die op een ongebruikelijk tijdstip plaatsvinden, anders dan bij huur, waarvoor artikel 33 lid 6 een Pro regeling biedt.
De Hoge Raad verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond, vernietigde de uitspraak van het hof en de navorderingsaanslag, en veroordeelde de Staat tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Hiermee werd bevestigd dat correctie van onzakelijke rentevergoeding pas op het moment van daadwerkelijke betaling kan plaatsvinden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de navorderingsaanslag en veroordeelt de Staat tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.