ECLI:NL:HR:2005:AU7626

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01876/05 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 459 SvArt. 460 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek wegens ontbreken nieuwe feitelijke omstandigheden

De zaak betreft een verzoek tot herziening van een vonnis van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch uit 1997, waarbij de aanvrager was veroordeeld voor ontucht met een minderjarige en bedreiging. De rechtbank legde een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf op, alsmede schadevergoedingen aan de slachtoffers.

De Hoge Raad beoordeelde het verzoek tot herziening aan de hand van artikel 457 en Pro 459 van het Wetboek van Strafvordering. Volgens deze bepalingen moet een herzieningsverzoek gebaseerd zijn op nieuwe, feitelijke omstandigheden die tijdens het oorspronkelijke proces niet bekend waren en die het onderzoek zouden kunnen beïnvloeden, bijvoorbeeld door vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging mogelijk te maken.

In dit geval stelde de aanvrager geen nieuwe feitelijke omstandigheden of bewijsmiddelen voor die aan deze criteria voldeden. Daarom kon het verzoek niet worden ontvangen en verklaarde de Hoge Raad het verzoek niet-ontvankelijk.

De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad, en bevestigt de strikte voorwaarden voor het indienen van een herzieningsverzoek in strafzaken.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van nieuwe feitelijke omstandigheden.

Uitspraak

29 november 2005
Strafkamer
nr. 01876/05 H
IC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 16 oktober 1997, nummer 01/050630/96, ingediend door:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Rechtbank heeft de aanvrager ter zake van 1. "ontucht plegen met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd" en 2. "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht" veroordeeld tot 160 uren onbetaalde arbeid ten algemenen nutte in plaats van vier maanden gevangenisstraf alsmede een gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De Rechtbank heeft voorts de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen zoals in het vonnis vermeld, alsmede aan de aanvrager de verplichting opgelegd aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers fl. 1.075,- respectievelijk fl. 170,- te betalen.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling. Bedoelde omstandigheden of omstandigheid moeten van feitelijke aard zijn.
3.2. Art. 459 Sv Pro schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.
3.3. Het in de aanvrage gestelde behelst niet een beroep op een feitelijke omstandigheid als hiervoor bedoeld en evenmin een opgave van bewijsmiddelen waaruit van zodanige omstandigheid kan blijken. De aanvrage kan daarom, gelet op het bepaalde in de art. 459 en Pro 460 Sv, niet worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 29 november 2005.